DE CARROUSEL (Carolien)

Schrijven, hoe doe je dat? 

Een carrousel is zo'n ouderwetse draaimolen op de kermis. Toen je klein was, wilde je vast weleens een rondje meerijden. In deze schrijfcursus ga je ook rondjes draaien, maar dan tijdens de schrijfles op school. In tien lessen leer je hoe je een goede tekst kunt schrijven.

Schrijven lijkt wel op het maken van cirkels: iedere keer als je een stukje af hebt, vraag je je af of je nog op de goede weg bent. Passen de zinnen en de alinea's goed bij elkaar? Zou je lezer nog snappen wat je net hebt geschreven? Is je taalgebruik op orde?

Je doet verschillende oefeningen samen met een klasgenoot, waarbij je regelmatig wisselt van schrijfpartner. Ook op die manier draai je rondjes, alsof je steeds naast iemand anders gaat zitten in de carrousel. 

Zit je stevig? De carrousel begint.

Les 1 Schrijven (copy)

Arm brein

 

Wat gebeurt er in je hersenen tijdens het schrijven? Tijdens het schrijven beoefent je brein topsport. Dat komt doordat je zowel je werkgeheugen als je langetermijngeheugen moet gebruiken. In je werkgeheugen ben je bezig met het eigenlijke schrijven. Daar neem je beslissingen, zoals: nu begin ik een nieuwe zin of nu wil ik een voorbeeld geven

 

Om dat soort beslissingen tijdens het schrijven te kunnen nemen, moet je steeds weer even terug naar je langetermijngeheugen. Daar zit de informatie opgeslagen die je nodig hebt, zoals: niet te lange zinnen maken, want dit briefje is voor mijn kleine zusje of wat er vorige week gebeurde zou in deze tekst een mooi voorbeeld kunnen zijn. 

Tijdens het schrijven ben je dus eigenlijk altijd aan het multitasken, of je nu wil of niet. En twee dingen tegelijk doen, is nu eenmaal moeilijker dan twee dingen achter elkaar doen. Bovendien kost het uiteindelijk meer tijd. 

Pak pen en papier en vraag de klasgenoot die naast je zit om de tijd op te nemen. Hoe lang doe je erover om deze zin en deze getallenreeks over te schrijven?

S C H R IJ V E N I S M O E I  L IJ K

1  3  6  10  15  21  28  36  45  55  66  78  91 105  120  136  153

En? Waarschijnlijk ging dit heel snel.

Nu doe je hetzelfde nog een keer, maar nu schrijf je steeds eerst een letter en dan een getal. Dus eerst de S, dan de 1, dan de C, dan de 3, enzovoort.

Je ziet dat dat veel langer duurt en veel meer focus vereist. Dat is wat jouw brein meemaakt als je zelf een tekst gaat schrijven en op en neer pendelt tussen je werkgeheugen en je langetermijngeheugen. 

Taal is ideaal


Kijk nu eerst met de klas naar het filmpje over de blinde bedelaar: 

 

Bespreek nu met je klasgenoten en je docent wat er gebeurde in het filmpje. De blinde man krijgt veel meer geld vanaf het moment dat dezelfde boodschap, maar nu in andere woorden op zijn bordje staat. Hoe kan dat? De situatie is niet veranderd, hijzelf zit er niet anders bij. Waarom is het effect van die woorden dan toch zo anders? Waarom zorgt de nieuwe boodschap er wel voor dat mensen geld gaan geven?  

Stijl en spelling

Een goede tekst kunnen schrijven is dus moeilijk én belangrijk. In deze cursus ga je leren om een goede tekst te schrijven door het gebruik van een eenvoudig hulpmiddel. Maar een tekst wordt nooit echt goed als je veel spelfouten maakt. Ook de spatieziekte, kromme zinnen en een verkeerde woordkeuze maken van je tekst altijd broddelwerk. Je basiskennis van de Nederlandse taal moet wel op orde zijn. Alleen al een komma op de verkeerde plek kan de boodschap van je tekst ingrijpend veranderen, kijk maar: 

 

 

Woordenschat

Ontdek nu zelf of jouw woordenschat op orde is door een kijkje te nemen in de taalwinkel van de Hogeschool van Amsterdam in  samenwerking met de Universiteit van Amsterdam.

Maak  de woordenschattoets  http://www.taalwinkel.nl/woordkennis-toets-test/ 

Hoe goed ben je al? Lees je resultaat op de site. Je docent bespreekt met de hele klas de scores. Welke fouten maken leerlingen vaak? Hoe kun je ervoor zorgen dat je die voortaan niet meer maakt? 

Vijf tips

Het is niet vreemd als je in havo 4 nog wel eens een foutje maakt op het gebied van stijl en spelling. Het is wel belangrijk dat je probeert zo min mogelijk fouten te maken. In deze schrijfcursus moet je er vanaf nu zelf voor zorgen dat je taalgebruik op orde is. Gelukkig zijn er veel manieren om te werken aan je taalverzorging. Je docent bespreekt met jullie de volgende tips: 

Ten eerste: je weet al heel veel. Je krijgt al sinds de basisschool les in stijl en spelling. Bovendien heb je in de onderbouw van de havo ook regelmatig de regels herhaald. Neem jezelf voor om vanaf nu die regels direct toe te passen tijdens het schrijven en niet te denken: ik ga aan het eind alle foutjes er wel even uithalen. Bij het teruglezen van je eigen tekst lees je vaak over dat soort fouten heen. 

Ten tweede: doe extra oefeningen. Als je weet dat je nog regelmatig fouten maakt in bepaalde onderdelen (bijvoorbeeld werkwoordspelling), kun je aan je docent extra oefeningen vragen. Ook kun je zelf extra oefenen op diverse websites.

 

Ten derde: lees! De allerbeste en plezierigste manier om soepel en foutloos woorden en zinnen te leren schrijven, is door veel te lezen. Je leest natuurlijk al veel teksten voor de verschillende vakken op school. Maar er gaat op dit gebied niets boven het lezen van boeken voor je literatuurlijst. Een schrijver besteedt gericht aandacht aan stijl en spelling en ieder goed gespeld woord dat je leest, verbetert jouw eigen spelling zonder dat je het merkt. 

Ten vierde: wees niet lui. Als je twijfelt over de spelling van een woord, zoek je dat even op. Zomaar even op internet zoeken is niet verstandig, want het wemelt van de slordigheden op het wereldwijde web. Je hebt vast afspraken met je docent over het gebruik van een woordenboek of Het Groene Boekje. Online is is de gratis versie van Het Groene Boekje heel handig: http://www.woordenlijst.org

Ten vijfde: de spelling- en grammaticacontrole van Word. Let op: deze hulpmiddelen zijn erg handig, maar soms geven ze foute adviezen. Je docent legt je uit waarop je moet letten als je ze gebruikt. 

 

Les 2 Bouwplan (copy)

Wat is booster?

Schrijven is moeilijk en belangrijk, daarvan ben je na de eerste les van deze cursus vast wel overtuigd. Gelukkig bestaat er een goed hulpmiddel om betere teksten schrijven. 

Op het moment dat je niet aan alles tegelijk hoeft te denken, maak je veel minder fouten. Bovendien is je tekst dan vaak beter opgebouwd omdat je daar eerst rustig en kritisch over hebt nagedacht. Je tekst vertoont ook meer samenhang als je de moeite neemt om je te verplaatsen in je lezer. Tot slot kun je je tekst nog eens flink verbeteren als je er na afloop nog eens grondig doorheen gaat. 

Het is dus slim om je schrijfproces in verschillende stappen op te delen. Misschien deed je dat al, misschien niet. In ieder geval is het gemakkelijk om vanaf nu booster te gebruiken als hulpmiddel. De zeven letters van booster staan voor zeven stappen: brainstormen, ordenen, opbouw bepalen, schrijven, teruglezen, evalueren en redigeren. 

In de komende lessen oefen je met die zeven stappen in de juiste volgorde. Terwijl je dat doet, zul je ontdekken dat je tussendoor de neiging krijgt om ook steeds even terug te denken aan stappen die je al hebt gezet. Tijdens het schrijven kun je bijvoorbeeld ontdekken dat je toch een andere volgorde van de onderdelen wilt. Of dat je andere woorden wilt gebruiken omdat je twijfelt over de spelling. 

Dat is logisch, je zit immers in de carrousel en die draait rond. Steeds weer kun je dus op je eigen moment terugdenken of vooruitdenken en wijzigingen aanbrengen in jouw invulling van de stappen. Goede schrijvers doen dat heel vaak. 

Wist je overigens dat een booster ook op de kermis staat, net als een carrousel? Kijk nog maar eens naar de afbeelding bij deze les. Zo'n attractie zorgt ervoor dat je heel snel omhoog gaat. En dat is precies wat de bedoeling is van jouw schrijfvaardigheid. 

 

 

B = Brainstormen

De B van BOOSTER staat voor Brainstormen

Als je weet waarover je een tekst gaat schrijven, begin je met brainstormen. De techniek van het brainstormen ken je vast al: het gaat erom dat je snel veel nieuwe ideeën krijgt. Het is fijn om samen met iemand anders te kunnen brainstormen. Op die manier ontstaan er sneller nieuwe associaties en kun je het onderwerp van meer kanten bekijken. Houd tijdens het noteren van alle onderdelen steeds de volgende vragen in je achterhoofd:

 

  • Wat weet ik al van het onderwerp?
  • Wie gaat mijn tekst lezen?
  • Welke bronnen wil ik raadplegen? 
  • Wat wordt mijn boodschap? 
  • Wat wil ik bereiken?

Je gaat samen met de klasgenoot die zo naast je komt zitten brainstormen over het onderwerp bijbaantjes. Om goed te kunnen brainstormen, moet je eerst weten wat voor soort tekst je gaat schrijven. Voor deze oefening ga je een adviestekst schrijven voor mensen die voor het eerst op zoek gaan naar een bijbaantje. Je doelgroep bestaat dus uit mensen die ongeveer jouw eigen leeftijd hebben of iets jonger zijn. Je adviestekst moet uiteindelijk uit ongeveer 300 woorden bestaan. 

 

Het is tijd voor een nieuwe ronde: één van jullie twee wisselt nu van plek met iemand van een ander duo.

 

Mijn brainstormpapier:

Nu noteer je hieronder alles wat in jullie opkomt. Let op: dat doen jullie allebei op je eigen computer. Het mag in de vorm van woorden, zinnen of vragen - alles is goed. Op internet kun je vervolgens zoeken naar de informatie die je wilt gebruiken. Als je een goede bron tegenkomt, noteer je die ook even onderaan je brainstormlijst. Misschien wil je er in je uiteindelijke tekst wel uit citeren of naar verwijzen. 

O = Ordenen

De eerste  O van BOOSTER staat voor Ordenen

Dankzij het brainstormen heb je nagedacht over het onderwerp en bronnen geraadpleegd. Je weet al globaal wat je wilt schrijven. Je weet ook wie je tekst gaat lezen en wat je bij die lezer(s) wilt bereiken met je tekst. Nu ga je alle woorden en zinnen op het brainstormpapier ordenen. 

Ordenen houdt in dat je gaat kijken welke elementen op je brainstormpapier bij elkaar horen. Voor deze oefening kun je gewoon even terug naar de vorige bladzijde Mijn brainstormpapier en de groepjes bij elkaar zetten. 

Na deze cursus, als je zelfstandig langere, complexere teksten gaat schrijven met behulp van booster, kun je er ook voor kiezen om te brainstormen op een kladpapier naast je computer. Dan kun je tijdens het ordenen werken met verbindingsstrepen of kleuren. Dat kan er dan bijvoorbeeld zo uit gaan zien: Als je het plezieriger vindt om de woorden en zinnen te typen in een mindmap, kan dat natuurlijk ook. In Word kun je bijvoorbeeld via de button Invoegen verschillende vormen en verbindingen gebruiken om er een mooi overzichtelijk geheel van te maken: 

Het is verstandig om alle elementen op het brainstormpapier kritisch te bekijken. Dit is namelijk ook het moment dat je besluit om bepaalde zaken juist niet op te nemen in je tekst. Mocht je later tijdens het schrijfproces toch terug willen komen op die beslissing, kan dat natuurlijk altijd. De carrousel draait immers door en jij kan op ieder moment een extra rondje maken om toch weer iets te veranderen. 

Bekijk samen met je klasgenoot nog eens of alle zaken die in een adviestekst over het zoeken van bijbaantjes een plekje moeten krijgen bij jullie allebei op Mijn brainstormpapier staan en nu goed geordend zijn. Let op: vergeet niet dat je tekst uiteindelijk ongeveer 300 woorden moet gaan tellen. 

Wie ordent beter?

Bekijk nu met de hele klas de filmpjes van Susan en Kristel: 

 

 

 

 

 

Bespreek samen met je klas en je docent welke leerling nu de beste voorbereiding heeft getroffen voor het schrijven van een adviserende tekst over bijbaantjes. Waarom vind je dat? En zijn jullie het met elkaar eens? 

O = Opbouw bepalen

De tweede O van BOOSTER staat voor Opbouw bepalen

Je weet al wat je wilt schrijven en je weet welke onderdelen je in ieder geval in je tekst wilt opnemen. Nu ga je besluiten in welke volgorde je dat wilt doen. Je gaat dus de opbouw van je tekst bepalen. Dat doe je door in het kort te noteren wat er in de inleiding, in de kern en in het slot moet komen.

Kijk eerst naar dit filmpje voor uitleg:  

 

Een goede tekst bestaat dus altijd uit drie delen: een inleiding, een kern en een slot. Dat wist je allang. Waar in dit filmpje wordt gesproken van tekststructuur, wordt de opbouw bedoeld: wat wil je in de inleiding schrijven, uit welke onderdelen bestaat de kern en wat moet er in het slot komen? Dat is wat je nu gaat bepalen tijdens de derde stap van booster

Het is handig om de opbouw vast te leggen in een bouwplan. 

Mijn bouwplan:

Je gaat nu je eigen bouwplan vastleggen. Dat doe je samen met de klasgenoot die naast je zit. 

Kies voor vijf alinea's: inleiding, drie kernalinea's en slot. Per alinea schrijf je één of twee zinnen in je bouwplan. Dat kunnen de kernzinnen zijn die je nu voor ogen hebt, maar ook geheugensteuntjes om ernaast te houden als je later de echte tekst gaat schrijven. 

Les 3 Inleiding (copy)

S = Schrijven

De S van BOOSTER staat voor Schrijven 

Nu heb je een solide bouwplan. Je kunt je tekst gaan schrijven! Probeer na iedere alinea weer even terug te denken aan het begin:

 

  • Ben je nog aan het doen wat je zou gaan doen? 
  • Zou je lezer nog steeds verder willen lezen?
  • Lopen de zinnen en de alinea's mooi in elkaar over?
  • Schrijf je zonder taalfouten? 

 

De eerste alinea die je gaat schrijven is je inleiding. Een goede inleiding  trekt de aandacht van de lezer. Je wilt immers dat je tekst gelezen wordt!  Daarnaast moet je in je inleiding altijd het onderwerp van de tekst introduceren. Het is vaak ook logisch om alvast de hoofdgedachte of de hoofdvraag in je inleiding te behandelen. 

Hoe kun je de aandacht van de lezer trekken? Je zou kunnen kiezen voor:

  • * een anekdote
  • * een directe vraag
  • * een retorische vraag
  • * opvallende onderzoeksresultaten/cijfers

Daarnaast is hangt de inhoud van je inleiding ook af van de tekstsoort die je gaat schrijven. Schrijf je een feitelijke tekst waarin je de lezer gaat informeren of schrijf je een waarderende tekst waarin je de lezer zelf een mening laat vormen (beschouwing) of juist van jouw mening wilt overtuigen (betoog)? Bekijk alvast de verschillen tussen de tekstsoorten in het filmpje hieronder. De opdracht waar je nu mee bezig bent wordt een feitelijke tekst waarin je de lezer wilt informeren. 

 

 

 

Het is tijd voor een nieuwe ronde: één van jullie twee wisselt nu van plek met iemand van een ander duo.

 

 

 

Jij en de klasgenoot die nu naast je zit hebben allebei je eigen bouwplan. Je schrijft nu eerst afzonderlijk van elkaar je inleiding. Dat doe je op de volgende bladzijde. In je bouwplan heb je al gekozen voor de manier waarop je de aandacht van de lezer gaat trekken en het onderwerp gaat introduceren. Maak je inleiding niet veel langer dan ongeveer 60 woorden

Mijn inleiding:

Hieronder schrijf je nu eerst je eigen inleiding. Je kunt als dat nodig is steeds even teruggaan naar Mijn brainstormpapier en Mijn bouwplan. Als je klaar bent met de inleiding, laat je die eerst lezen aan de klasgenoot die nu naast je zit. 

Snapt jouw klasgenoot wat je wilt zeggen in de inleiding? Lukt het je om de aandacht te trekken en het onderwerp duidelijk te introduceren? Vindt jouw klasgenoot je tekst prettig leesbaar? Zitten er taalfouten in? Bespreek elkaars teksten uitgebreid en breng dan eventuele verbeteringen aan. Pas dan druk je op Invoeren

Wie schrijft de beste inleiding?

Bekijk nu met de hele klas de filmpjes van Susan en Kristel: 

 

 

 

 

 

Bespreek samen met je klas en je docent welke leerling de beste inleiding heeft geschreven. Waarom vind je dat? Kun je aangeven wat de verschillen in aanpak zijn tussen Susan en Kristel? En zijn jullie het met elkaar eens? 

Nu kun je nu nog andere verbeteringen aanbrengen in je eigen inleiding op de vorige bladzijde. Lees je eigen tekst nog eens grondig door. Pas als je helemaal tevreden bent, druk je op Invoeren

Les 4 Kern (copy)

Mijn kern:

Hieronder schrijf je nu eerst je eigen drie kernalinea's. Probeer iedere kernalinea niet veel langer te maken dan 60 woorden. Je kunt als dat nodig is steeds even teruggaan naar Mijn brainstormpapierMijn bouwplan en Mijn inleiding. Als je klaar bent met de kern, laat je die eerst lezen aan de klasgenoot die nu naast je zit. 

Snapt jouw klasgenoot wat je wilt zeggen? Lukt het je om je adviezen goed duidelijk te maken? Vindt jouw klasgenoot je tekst prettig leesbaar? Zijn de overgangen tussen de drie alinea's mooi soepel? Hoe komt dat? Zitten er taalfouten in? Bespreek elkaars teksten uitgebreid en breng dan eventuele verbeteringen aan. Pas dan druk je op Invoeren

Bruggen bouwen

Een heel handig hulpmiddel is het gebruik van signaalwoorden en signaalzinnen. Signaalwoorden helpen je lezer namelijk heel goed bij het begrijpen van je tekst. Je bouwt met die hulpwoorden eigenlijk bruggen tussen je zinnen en je alinea's, waardoor je tekst veel logischer wordt. Kijk maar eens naar dit filmpje over leesvaardigheid: 

Al die signaalwoorden, en er bestaan er nog veel meer, kun jij als schrijver dus ook gebruiken om ervoor te zorgen dat je lezer je tekst goed kan begrijpen! Een signaalzin kan ook heel verhelderend werken, zoals: Hieronder geef ik drie tips die je kunnen helpen bij het vinden van een bijbaantje. 

Deze opdracht doe je samen met de klasgenoot die naast je zit. Lees de tekst op de volgende bladzijde en klik op de signaalwoorden. Het zijn er zeven en ze kunnen zowel zinsgedeelten als zinnen en alinea's met elkaar verbinden. 

Signaalwoorden

In de tekst hieronder staan zeven signaalwoorden die zinsgedeelten, zinnen of alinea's met elkaar verbinden. Dat zijn dus de bruggetjes die jou helpen om de tekst sneller te begrijpen. Klik op die woorden nadat je met elkaar hebt overlegd. Als je na deze oefening toch nog iets wilt veranderen in je eigen tekst, kan je teruggaan naar Mijn kern. Misschien wil je toch nog signaalwoorden toevoegen aan het begin van je eigen kernalinea's? Dat kan, want de carrousel blijft draaien tijdens je hele schrijfproces. 

Les 5 Slot en titel (copy)

Een sterk slot

Je bent toe aan het schrijven van de slotalinea. Net zoals de titel en de inleiding wordt het slot van een tekst vaak al bij voorbaat even snel gelezen. Op basis daarvan beslist de lezer of hij de kern ook gaat lezen. Als dat gebeurt, kan een goede slotalinea er ook voor zorgen dat jouw tekst nog lang in het hoofd van je lezer blijft hangen. 

Weet je nog wat er allemaal in je slot kan komen? Allereerst begin je deze belangrijke laatste alinea met een goed signaalwoord, zodat je lezer begrijpt dat het einde nadert. Natuurlijk kom je daarna in ieder geval terug op de hoofdgedachte of de hoofdvraag van je tekst, waarbij je bijvoorbeeld kunt kiezen voor een:    

  • samenvatting
  • conclusie
  • oproep
  • afweging
  • aanbeveling   

 Natuurlijk hangt de inhoud van je slot weer af van de tekstsoort die je aan het schrijven bent. Een betoog zou bijvoorbeeld goed kunnen eindigen met een aanbeveling of een oproep, terwijl een beschouwing met een voor- en nadelenstructuur prima kan worden afgesloten met een afweging. 

Bekijk nu met de hele klas de filmpjes van Susan en Kristel: 

 

 

 

 

Bespreek samen met je klas en je docent welke leerling het beste slot heeft geschreven. Waarom vind je dat? Kun je aangeven wat de verschillen in aanpak zijn tussen Susan en Kristel? En zijn jullie het met elkaar eens? 

Het is tijd voor een nieuwe ronde: één van jullie twee wisselt nu van plek met iemand van een ander duo.

 

 

Mijn slot:

Hieronder schrijf je nu je eigen slotalinea. Probeer ook het slot niet veel langer te maken dan 60 woorden. Je kunt als dat nodig is steeds even teruggaan naar Mijn brainstormpapier, Mijn bouwplan, Mijn inleiding en Mijn kern. Als je klaar bent, laat je je alinea eerst lezen aan de klasgenoot die nu naast je zit. 

Snapt jouw klasgenoot wat je wilt zeggen? Lukt het je om je tekst goed af te sluiten? Vindt jouw klasgenoot je tekst prettig leesbaar? Kom je terug op de hoofdgedachte of de hoofdvraag uit je inleiding? Zitten er taalfouten in? Bespreek elkaars teksten uitgebreid en breng dan eventuele verbeteringen aan. Pas dan druk je op Invoeren

De cirkel sluiten

Bekijk nu met de hele klas de filmpjes van Susan en Kristel: 

 

 

 

 

 

Welke titel en welke uitsmijter vind je beter? Waarom? Wat is het verschil tussen de aanpak van Susan en die van Kristel? Zijn jullie het als klas eens over de antwoorden op deze vragen? 

De titel en de laatste zin kunnen je tekst veel aantrekkelijker maken om te lezen. Als het je lukt om van je laatste zin een opvallende uitspraak te maken, heet dat een uitsmijter. Voor zowel de titel als de uitsmijter geldt dat je even rustig de tijd moet nemen om erover na te denken. Welke titel zou ervoor zorgen dat jij een tekst zou gaan lezen? Bovendien heb je misschien iets aan de tips hieronder. 

Houd het kort en krachtig. Lange zinnen blijven moeilijk hangen als je niet al bezig bent met het lezen van een tekst. Liever: Eerste Hulp Bij Bijbaantjes, dan: Adviezen en tips voor mensen die voor het eerst een bijbaantje gaan zoeken. 

Speel met taal. Woordgrapjes, woordspelingen, rijmwoorden, uitdrukkingen, alliteraties... (wat is een alliteratie ook alweer? Zoek op!). Titels en uitsmijters die in stilistisch opzicht opvallen, zijn erg effectief. Een titel als Betere bijbaantjes maakt kans om te blijven hangen

Gebruik positieve woorden, als dat mogelijk is. Woorden als gratis, vrijsnel, zorgeloos, rijk trekken nu eenmaal de aandacht van de gemiddelde mens. Liever: Snel aan de slag, dan: Hoe je problemen kunt voorkomen bij het zoeken van een bijbaantje

Harde feiten, zoals getallen en bedragen, trekken ook vaak de aandacht. Zorg er wel voor dat je de getallen of bedragen die je noemt heel grondig hebt gecontroleerd. Voor een titel als: Vakken vullen: verdien fluitend 10 euro per uur, moet je wel even onderzoek doen. 

Uitspraken die emoties oproepen zorgen er ook vaak voor dat mensen je tekst gaan lezen. Een titel als: Supermarkten verdienen fors aan vakkenvullers zal vast enkele wenkbrauwen doen fronsen en in ieder geval scholieren prikkelen om de tekst te gaan lezen. Zorg er natuurlijk wel voor dat de vlag de lading dekt: de titel moet wel passen bij de tekst. 

Bedenk nu een passende titel voor jouw tekst. Werk samen met de klasgenoot die nu naast je zit en help elkaar door ideeën uit te wisselen. En hoe sterk is je laatste zin? Kun je daar een krachtige uitsmijter van maken? Noteer je titel en je uitsmijter op de volgende bladzijde.

 

Mijn titel en mijn uitsmijter:

Hieronder noteer je eigen titel en je uitsmijter. Je kunt als dat nodig is steeds even teruggaan naar Mijn brainstormpapierMijn bouwplan, Mijn inleiding, Mijn kern en Mijn slot. Als je klaar bent, laat je je titel en je uitsmijter eerst lezen aan de klasgenoot die nu naast je zit. 

Bespreek elkaars ideeën uitgebreid en breng dan eventuele verbeteringen aan. Pas dan druk je op Invoeren.

Les 6 Feedback (copy)

T = Teruglezen

De T van BOOSTER staat voor Teruglezen

De eerste versie van je tekst is klaar. Nu begint de laatste ronde, die net zo belangrijk is als het voorbereiden en het schrijven. Je gaat je eigen tekst grondig lezen alsof je de lezer bent voor wie jij de tekst hebt geschreven. Probeer je te verplaatsen in die persoon, of het nu je docent, je baas, je buurvrouw of je geliefde is. Is je tekst goed te begrijpen en plezierig om te lezen? 

 

Bekijk nu met de hele klas de filmpjes van Susan en Kristel. Zij hebben elkaars tekst gelezen en geven elkaar feedback. Lees steeds eerst de tekst die boven het filmpje staat, want die wordt besproken. 

 

De tekst van Kristel: 

 

Op weg naar je eerste miljoen

Wist je dat 59% van de 15- tot en met 17-jarigen een bijbaantje heeft? Het gaat vooral om baantjes in de horeca, promotiewerk, callcenters, kranten bezorgen en schoonmaakwerk. Als je 15 jaar bent, is het minimumloon ongeveer 2,75 euro per uur. Op een schooldag mag je 2 uur werken. In het weekend mag je wel 8 uur werken. Per week mag je 12 uur werken. Je mag zelfstandig werk doen, zoals vakkenvullen, helpen op een manege of oppassen. Hoe vind jij jouw droombaantje?

Ten eerste moet je niet in je eentje gaan zoeken, maar iedereen die je kent vertellen dat je op zoek bent! Je vrienden, familie, ouders: hoe meer mensen met je meezoeken, hoe beter. Ook kun je de advertenties in de plaatselijke krant bekijken of het prikbord bij de supermarkt. En wat dacht je van internet? Websites zoals www.bijbaantje.nl of www.bijbanen.nl hebben ook veel informatie.

Ook is het wel belangrijk dat je goed nadenkt of een baantje bij je past voordat je gaat solliciteren. Stel, je houdt veel van dieren, dan kun je misschien eens gaan informeren bij een dierenpension of een dierenwinkel. Als je graag een zittend baantje wil, kun je kijken of je ergens achter de kassa kunt gaan zitten. Als je iets kiest dat je leuk vindt, hou je het langer vol.

Ten derde moet je ook aan de zakelijke kant denken. Er is een goede site, www.nibud.nl, waar je alles kunt vinden over salaris, werkuren, belastingen en ga zo maar door.

Kortom, ook jij kunt jouw eigen bijbaantje vinden! Als je hulp inschakelt voor bij het zoeken, eerst goed nadenkt over wat voor soort baantje bij je past en alle belangrijke informatie op internet weet te vinden, dan ben jij ook op weg naar jouw eerste miljoen!

= 298 woorden

De tekst van Susan: 

Zoek je een bijbaantje?

Gisteren was het weer dinsdag. Dan fiets ik altijd rechtstreeks uit school naar het huis van mijn oppaskinderen. De kinderen zijn 6 en 8 jaar oud en ze zijn meestal heel lief. Het oudste kind is een jongen en met hem ga ik altijd voetballen. Ook oefent op de piano en aan het eind van de middag gaan we samen koken. Het jongste kind is een meisje en zij wil altijd samen een boekje lezen. Na een paar uur fiets ik weer naar huis en ben ik helemaal blij en niet alleen doordat ik weer 10 euro rijker ben. Hoe zoek ik het beste een bijbaantje?

Mijn bijbaantje bevalt mij dus heel goed. Waar moet jij op letten als je een bijbaantje gaat zoeken?

  • Als je in de horeca gaat werken heb je ook recht op de fooien!
  • Als je ‘s avonds gaat oppassen kun je ook gewoon leren terwijl de kinderen slapen
  • Vraag ook aan je vrienden wat voor baantje zij hebben, misschien is het iets voor jou
  • Zeg het gewoon eerlijk als iets niet lukt in je bijbaantje
  • Zorg ervoor dat je cash betaalt krijgt!!

Dit waren mijn tips voor als je voor het eerst een bijbaantje gaat zoeken. Het is wel belangrijk dat je niet zomaar kan afzeggen als je afspreekt dat je komt oppassen die dag. Dan hebben die mensen een groot probleem. Het leukste is nog wel dat de kinderen het echt leuk vinden als je komt oppassen en ze zich daar echt op verheugen. Je doet ervaring op voor later, je leert er dus ook nog iets van. Dit waren mijn tips, succes!!!!!!

= 297 woorden

 

 

 

Bespreek samen met je klas en je docent welke leerling tot nu toe de beste tekst heeft geschreven. Waarom vind je dat? En zijn jullie het met elkaar eens? Wat vinden jullie van de reacties van Susan en Kristel? Wie van de twee luistert het beste naar de reacties van haar lezer? 

Het is tijd voor een nieuwe ronde: één van jullie twee wisselt nu van plek met iemand van een ander duo.

Wat leest mijn lezer?

Hieronder kopieer en plak je nu eerst je complete tekst. Dat doe je heel eenvoudig door de onderdelen op te halen uit Mijn inleidingMijn kern en Mijn slot en vervolgens Mijn titel en mijn uitsmijter toe te voegen. Je tekst bestaat nu uit ongeveer 300 woorden. 

Daarna laat je de klasgenoot die nu naast je zit jouw tekst lezen. Wat valt op? Welke zaken vindt je klasgenoot goed en welke onderdelen blijken niet helemaal duidelijk? Noteer onder je tekst alle opmerkingen die je krijgt en druk op Invoeren

Les 7 Diagram (copy)

E = Evalueren

De E van BOOSTER staat voor EVALUEREN

Tijdens het lezen van je tekst heeft je klasgenoot misschien typefoutjes of kromme zinnen ontdekt. Die heb je op de vorige bladzijde genoteerd. Maar vaak kun je je tekst ook op een andere manier nog veel beter maken. Ga bijvoorbeeld goed na of je de onderdelen van de tekst wel in de beste volgorde hebt gepresenteerd en of je genoeg toelichting hebt gegeven bij de belangrijke zaken. En is je inleiding wel pakkend genoeg? Heb je een mooie uitsmijter bedacht? En wat vind je bij nader inzien van je titel? Hoe staat het met de signaalwoorden? En ga zo maar door.

Lees nu eerst zelf nog eens je eigen tekst op de vorige bladzijde. Een mooie manier om te controleren of je tekst genoeg samenhang vertoont, is het maken van een diagram. Dat doe je heel eenvoudig door de zinnen te nummeren en steeds het onderwerp van die zin ernaast te zetten. Het onderwerp is het belangrijkste waar in die zin iets over wordt gezegd. Een voorbeeld: 

Stel, je hebt de volgende tekst geschreven: 

Bijbaantjes zijn onmisbaar als je regelmatig een nieuwe game of een nieuwe outfit wilt kopen. Maar hoe vind je het ideale bijbaantje? Soms heb je geluk en kun je via een familielid of een vriend een bijbaantje vinden. Maar soms is het minder makkelijk en dan heb je behoefte aan goede tips. 

Ten eerste is het verstandig om eerst te beslissen of je op een vast moment in de week wilt werken of liever kiest voor flexibele uren. Aan beide keuzes zitten voordelen en nadelen. 

Daarnaast moet je goede afspraken maken over het salaris. Hoe hoog is het, wanneer wordt het uitbetaald? En mag je bijvoorbeeld de fooien zelf houden als je in de bediening gaat werken? 

Ten derde moet je goed nadenken of je dit werk leuk genoeg vindt om het vol te houden. Als je begint aan een bijbaantje in de kassen terwijl je eigenlijk een hekel hebt aan vieze handen, wordt het waarschijnlijk geen succes. Dan kun je beter iets op een kantoor zoeken. 

Kortom, als je een bijbaantje zoekt moet je goed je hoofd erbij houden. Maar als je eenmaal een baantje hebt gevonden dat bij je past, zal je er vast veel plezier aan beleven!

Het diagram van deze tekst van 14 zinnen (200 woorden) komt er als volgt uit te zien: 

  1.  bijbaantje

  2.               bijbaantje zoeken

  3.                                          via iemand anders

  4.                                          tips

  5.                                                                        vast of flexibel

  6.                                                                                              voor- en nadelen

  7.                                                                         salaris

  8.                                                                                               hoogte, uitbetaling

  9.                                                                                               fooien

  10.                                                                        leuk genoeg

  11.                                                                                              voorbeeld kassen

  12.                                                                                              kantoor

  13.              bijbaantje zoeken

  14.  bijbaantje 

Zie je dat de onderwerpen die bij elkaar horen onder elkaar staan? Steeds als je een beetje dieper op een onderwerp ingaat door het geven van een verdieping, uitwerking, toelichting of een voorbeeld, zet je het onderwerp van die nieuwe zin een stapje naar rechts. Als je dan aan het eind van je tekst weer netjes terugkomt op de hoofdgedachte of de hoofdgedachte uit de inleiding, ziet je diagram eruit als een halve cirkel. 

Je kunt je vast wel voorstellen dat complexere, langere teksten opgebouwd zijn uit meerdere halve cirkels onder elkaar. Als je het nog niet helemaal begrijpt, vraag je extra uitleg van je docent. Als dat niet nodig is, ga je naar de volgende bladzijde. 

Mijn diagram:

Je complete eigen tekst kun je vinden op de bladzijde Wat leest mijn lezer? Typ nu hieronder per zin het nummer en het onderwerp. Denk eraan dat je steeds een stapje naar rechts gaat als je een uitwerking, toelichting, verdieping of voorbeeld hebt geschreven. 

Let op: hoe je precies het onderwerp per zin beschrijft is niet zo belangrijk. Het gaat erom dat je de zinnen die over hetzelfde gaan netjes onder elkaar krijgt in je diagram. Krijg je dan een halve cirkel? Laat je diagram zien aan de klasgenoot die naast je zit. Zijn jullie het eens? Druk dan op Invoeren

R = Redigeren

De R van BOOSTER staat voor REDIGEREN

Zo, je bent toe aan de allerlaatste ronde. Je hebt de eerste versie van de tekst grondig van commentaar voorzien en al die opmerkingen ga je nu zorgvuldig verwerken. Je tekst is vast aanzienlijk verbeterd. Nu maar hopen dat je lezer dat ook vindt! 

 

 

In Wat leest mijn lezer? en in Mijn diagram heb je nu alle aanwijzingen staan om je tekst definitief te redigeren. Het is nu alleen nog maar een kwestie van doen. De foutjes in de taalverzorging zijn het eenvoudigst. Op basis van je diagram ga je nu ook de samenhang in je tekst verbeteren als dat nodig is. Zorg ervoor dat je een mooie halve cirkel krijgt. Succes!

 

Mijn definitieve tekst:

Hieronder lever je je definitieve adviestekst over de zoektocht naar bijbaantjes in. Je kunt natuurlijk best nog even aan de klasgenoot die nu naast je zit vragen om de tekst nog één keertje te lezen. Daarna druk je op Invoeren, zodat je docent ernaar kan kijken. 

Les 8 Beschouwen (copy)

Beschouwen met Booster

Na de informerende oefentekst over bijbaantjes, ga je nu een beschouwende tekst schrijven met behulp van booster. Je volgt dus weer dezelfde stappen die ook nog een keer kort worden toegelicht. Als je de theorie even kwijt bent, kun je altijd terug naar de blokjes 2 t/m 7 die je al hebt gedaan. 

In een beschouwende tekst wil je de lezer tot nadenken aanzetten. Het is dus de bedoeling dat de lezer zelf bedenkt wat hij van jouw onderwerp vindt. Een handige structuur om een beschouwing te schrijven is de voor- en nadelen structuur, want daarmee belicht je als vanzelf meerdere manieren om over jouw onderwerp na te denken. 

Samengevat luidt de opdracht: 

Het onderwerp van de tekst is: bijbaantjes op de middelbare school

De omvang van de tekst is: 300 woorden

De hoofdgedachte is: wat zijn de voordelen en de nadelen van een bijbaantje voor scholieren?

De doelgroep is: leeftijdsgenoten die overwegen om een bijbaantje te nemen

Het tekstdoel is dus: de lezer tot nadenken aanzetten  

B = Brainstormen

De B van BOOSTER staat voor Brainstormen

Als je weet waarover je een tekst gaat schrijven, begin je met brainstormen. De techniek van het brainstormen ken je vast al: het gaat erom dat je snel veel nieuwe ideeën krijgt. Het is fijn om samen met iemand anders te kunnen brainstormen. Op die manier ontstaan er sneller nieuwe associaties en kun je het onderwerp van meer kanten bekijken. Houd tijdens het noteren van alle onderdelen steeds de volgende vragen in je achterhoofd:

 

  • Wat weet ik al van het onderwerp?
  • Wie gaat mijn tekst lezen?
  • Welke bronnen wil ik raadplegen? 
  • Wat wordt mijn boodschap? 
  • Wat wil ik bereiken?

Je gaat samen met de klasgenoot die zo naast je komt zitten brainstormen over de voordelen en de nadelen van een bijbaantje. 

 

 

Het is tijd voor een nieuwe ronde: één van jullie twee wisselt nu van plek met iemand van een ander duo.

Mijn brainstormpapier:

Nu noteer je hieronder alles wat in jullie opkomt. Let op: dat doen jullie allebei op je eigen computer. Het mag in de vorm van woorden, zinnen of vragen - alles is goed. Op internet kun je ook nog verder  zoeken naar de informatie die je wilt gebruiken. Als je een goede bron tegenkomt, noteer je die ook even onderaan je brainstormlijst. Misschien wil je er in je uiteindelijke tekst wel uit citeren of naar verwijzen. 

O = Ordenen

De eerste  O van BOOSTER staat voor Ordenen

Dankzij het brainstormen heb je nagedacht over het onderwerp en bronnen geraadpleegd. Je weet al globaal wat je wilt schrijven. Je weet ook wie je tekst gaat lezen en wat je bij die lezer(s) wilt bereiken met je tekst. Nu ga je alle woorden en zinnen op het brainstormpapier ordenen. 

Ordenen houdt in dat je gaat kijken welke elementen op je brainstormpapier bij elkaar horen. Voor deze oefening kun je gewoon even terug naar de vorige bladzijde Mijn brainstormpapier en de groepjes bij elkaar zetten. Doe dat in overleg met de klasgenoot die naast je zit.

O = Opbouw bepalen

De tweede O van BOOSTER staat voor Opbouw bepalen

Je weet al wat je wilt schrijven en je weet welke onderdelen je in ieder geval in je tekst wilt opnemen. Nu ga je besluiten in welke volgorde je dat wilt doen. Je gaat dus de opbouw van je tekst bepalen. Dat doe je door op de volgende bladzijde in het kort te noteren wat er in de inleiding, in de kern en in het slot moet komen. Omdat je nu een beschouwende tekst schrijft met een voor- en nadelen structuur, ligt het voor de hand om de kern in twee alinea's te verdelen: één met de voordelen en één met de nadelen. Je kunt natuurlijk ook kiezen voor vier korte alinea's. 

Mijn bouwplan:

Je gaat nu hieronder je eigen bouwplan vastleggen. Dat doe je samen met de klasgenoot die naast je zit. 

Per alinea schrijf je één of twee zinnen in je bouwplan. Dat kunnen de kernzinnen zijn die je nu voor ogen hebt, maar ook geheugensteuntjes om ernaast te houden als je zo de echte tekst gaat schrijven. Als je niet meer zo goed weet wat er allemaal in de verschillende alinea's kan komen, kun je altijd even teruggaan naar blokjes 2 t/m 7 van Booster. 

S = Schrijven

De S van BOOSTER staat voor Schrijven 

Nu heb je een solide bouwplan. Je kunt je tekst gaan schrijven! Probeer na iedere alinea weer even terug te denken aan het begin:

 

  • Ben je nog aan het doen wat je zou gaan doen? 
  • Zou je lezer nog steeds verder willen lezen?
  • Lopen de zinnen en de alinea's mooi in elkaar over?
  • Schrijf je zonder taalfouten? 

Het is tijd voor een nieuwe ronde: één van jullie twee wisselt nu van plek met iemand van een ander duo.

 

 

 

Jij en de klasgenoot die nu naast je zit hebben allebei je eigen bouwplan. Je schrijft nu eerst afzonderlijk van elkaar je inleiding. Dat doe je op de volgende bladzijde. In je bouwplan heb je al gekozen voor de manier waarop je de aandacht van de lezer gaat trekken en het onderwerp gaat introduceren. 

Mijn inleiding:

Hieronder schrijf je nu eerst je eigen inleiding. Als je niet meer zo goed weet wat er allemaal in een inleiding kan komen, kun je altijd even teruggaan naar Booster. Je kunt voor de inhoud ook teruggaan naar Mijn brainstormpapier en Mijn bouwplan van deze schrijfopdracht. Als je klaar bent met de inleiding, laat je die eerst lezen aan de klasgenoot die nu naast je zit. 

Snapt jouw klasgenoot wat je wilt zeggen in de inleiding? Lukt het je om de aandacht te trekken en het onderwerp duidelijk te introduceren? Vindt jouw klasgenoot je tekst prettig leesbaar? Zitten er taalfouten in? Komt jouw stelling goed naar voren? Bespreek elkaars teksten uitgebreid en breng dan eventuele verbeteringen aan. Pas dan druk je op Invoeren. 

Mijn kern:

Het is tijd voor een nieuwe ronde: één van jullie twee wisselt nu van plek met iemand van een ander duo.

 

 

 

Hieronder schrijf je nu eerst je eigen kernalinea's. Omdat je tekstdoel tot nadenken aanzetten  is, ligt het voor de hand om evenveel voordelen als nadelen toe te lichten. Je kunt als dat nodig is steeds even teruggaan naar Mijn brainstormpapierMijn bouwplan en Mijn inleiding. Als je klaar bent met de kern, laat je die eerst lezen aan de klasgenoot die nu naast je zit. 

Snapt jouw klasgenoot wat je wil zeggen? Lukt het je om je argumenten goed duidelijk te maken? Vindt jouw klasgenoot je tekst prettig leesbaar? Zijn de overgangen tussen de drie alinea's mooi soepel? Hoe komt dat? Gebruik je verduidelijkende signaalwoorden? Zitten er taalfouten in? Bespreek elkaars teksten uitgebreid en breng dan eventuele verbeteringen aan. Pas dan druk je op Invoeren

Mijn slot:

Je bent toe aan het schrijven van de slotalinea van je beschouwing. 

Weet je nog wat er allemaal in je slot kan komen? Allereerst begin je deze belangrijke laatste alinea met een goed signaalwoord, zodat je lezer begrijpt dat het einde nadert. Natuurlijk kom je daarna in ieder geval terug op de hoofdgedachte of de hoofdvraag van je tekst, waarbij je bijvoorbeeld kunt kiezen voor een:    

  • samenvatting
  • conclusie
  • oproep
  • afweging
  • aanbeveling   

Het is tijd voor een nieuwe ronde: één van jullie twee wisselt nu van plek met iemand van een ander duo.

 

 

 

Hieronder schrijf je nu je eigen slotalinea. Je kunt als dat nodig is steeds even teruggaan naar Mijn brainstormpapierMijn bouwplan, Mijn inleiding en Mijn kern. Als je klaar bent, laat je je alinea eerst lezen aan de klasgenoot die nu naast je zit. 

Snapt jouw klasgenoot wat je wil zeggen? Lukt het je om de brief goed af te sluiten? Vindt jouw klasgenoot je tekst prettig leesbaar? Kom je terug op de stelling uit je inleiding? Zitten er taalfouten in? Bespreek elkaars teksten uitgebreid en breng dan eventuele verbeteringen aan. Pas dan druk je op Invoeren.

Mijn titel en mijn uitsmijter:

Bedenk nu een passende titel voor jouw tekst. Als je niet meer zo goed weet waar je op moest letten, kun je even teruggaan naar Mijn titel en mijn uitsmijter onder Booster. De tekst die je nu schrijft is een beschouwing. Een titel in de vorm van een vraag kan dan heel passend zijn; je wilt immers dat de lezer gaat nadenken. Werk samen met de klasgenoot die nu naast je zit en help elkaar door ideeën uit te wisselen. En hoe sterk is je laatste zin? Kun je daar een krachtige uitsmijter van maken? Noteer je titel en je uitsmijter hieronder. 

T = Teruglezen

De T van BOOSTER staat voor Teruglezen

De eerste versie van je tekst is klaar. Nu begint de laatste ronde, die net zo belangrijk is als het voorbereiden en het schrijven. Je gaat je eigen tekst grondig lezen alsof je de lezer bent voor wie jij de tekst hebt geschreven. Probeer je te verplaatsen in die persoon, in dit geval een leeftijdsgenoot. Is je tekst goed te begrijpen en plezierig om te lezen? 

 

Het is tijd voor een nieuwe ronde: één van jullie twee wisselt nu van plek met iemand van een ander duo.

Feedback

Hieronder kopieer en plak je nu eerst je complete tekst. Dat doe je heel eenvoudig door de onderdelen op te halen uit Mijn inleidingMijn kern en Mijn slot en vervolgens Mijn titel en mijn uitsmijter toe te voegen. Je tekst bestaat nu uit ongeveer 500 woorden. 

Daarna laat je de klasgenoot die nu naast je zit jouw tekst lezen. Wat valt op? Welke zaken vindt je klasgenoot goed en welke onderdelen blijken niet helemaal duidelijk? Denkt jouw klasgenoot dat de tekst geschikt is voor de doelgroep? Noteer onder je tekst alle opmerkingen die je krijgt en druk op Invoeren

E = Evalueren

De E van BOOSTER staat voor EVALUEREN

Tijdens het lezen van je tekst heeft je klasgenoot misschien typefoutjes of kromme zinnen ontdekt. Die heb je op de vorige bladzijde genoteerd. Maar vaak kun je je tekst ook op een andere manier nog veel beter maken. Ga bijvoorbeeld goed na of je de onderdelen van de tekst wel in de beste volgorde hebt gepresenteerd en of je genoeg toelichting hebt gegeven bij de belangrijke zaken. De controle van de samenhang ga je op de volgende bladzijde uitvoeren door weer een diagram te maken. Als je niet meer precies weet hoe dat ging, kun je weer even teruggaan naar Mijn diagram onder Booster

En is je inleiding eigenlijk wel pakkend genoeg? Heb je een mooie uitsmijter bedacht? En wat vind je bij nader inzien van je titel? Hoe staat het met de signaalwoorden? En ga zo maar door. De carrousel blijft gewoon draaien, dus je kunt op elk gewenst moment verbeteringen aanbrengen. 

Mijn diagram:

Je complete eigen tekst kun je vinden op de bladzijde Feedback. Typ nu hieronder per zin het nummer en het onderwerp. Denk eraan dat je steeds een stapje naar rechts gaat als je een uitwerking, toelichting, verdieping of voorbeeld hebt geschreven. 

Let op: hoe je precies het onderwerp per zin beschrijft is niet zo belangrijk. Het gaat erom dat je de zinnen die over hetzelfde gaan netjes onder elkaar krijgt in je diagram. Krijg je dan een halve cirkel? Laat je diagram zien aan de klasgenoot die naast je zit. Zijn jullie het eens? Druk dan op Invoeren

R = Redigeren

De R van BOOSTER staat voor REDIGEREN

Zo, je bent toe aan de allerlaatste ronde. Je hebt de eerste versie van de tekst grondig van commentaar voorzien en al die opmerkingen ga je nu zorgvuldig verwerken. Je tekst is vast aanzienlijk verbeterd. Nu maar hopen dat je lezer dat ook vindt! 

 

 

In Feedback en in Mijn diagram heb je nu alle aanwijzingen staan om je tekst definitief te redigeren. Het is nu alleen nog maar een kwestie van doen. De foutjes in de taalverzorging zijn het eenvoudigst. Op basis van je diagram ga je nu ook de samenhang in je tekst verbeteren als dat nodig is. Zorg ervoor dat je een mooie halve cirkel krijgt. Succes!

Mijn definitieve tekst:

Hieronder lever je je definitieve beschouwing in.  Je kunt natuurlijk best nog even aan de klasgenoot die nu naast je zit vragen om de tekst nog één keertje te lezen. Daarna druk je op Invoeren, zodat je docent ernaar kan kijken. 

Les 9 Betogen (copy)

Betogen met Booster

 

Je bent alweer toe aan de laatste tekst van deze cursus. Uiteraard ga je ook die weer schrijven met behulp van booster. Je volgt dus weer dezelfde stappen, maar nu worden die niet meer genoemd. Het is immers de bedoeling dat je vanaf nu in je eigen schrijfcarrousel stapt en - al rondjes draaiend - de zeven stappen zet.

In de toekomst maakt het dan niet meer uit of je nu een werkstuk voor school, een motivatiebrief voor een vervolgopleiding of een advies voor je baas schrijft: op deze manier doe je het goed.

Mocht je de zeven stappen of de bijbehorende theorie en oefeningen toch nog even kwijt zijn, kun je altijd terug naar les 2 t/m 7 van Booster. In het filmpje aan het begin van les 3  kun je nog een keer de tekstsoorten bekijken. 

In deze derde en laatste oefentekst ga je betogen: je gaat dus je lezer proberen te overtuigen van jouw standpunt. Jij hebt gehoord dat jullie rector bijbaantjes wil gaan verbieden, want die zouden een negatief effect hebben op de schoolprestaties. Jij bent het daar helemaal niet of juist helemaal wel mee eens. Je schrijft daarom een vlammend betoog voor de rector waarin je jouw standpunt onderbouwt met argumenten. 

Samengevat luidt de opdracht: 

Het onderwerp van de tekst is: bijbaantjes op onze school

De omvang van de tekst is: 300 woorden

De stelling is: Bijbaantjes horen er wel/niet bij!

De doelgroep is: de rector

Het tekstdoel is dus: overtuigen   

Mijn brainstormpapier:

Mijn bouwplan:

Mijn inleiding:

Mijn kern:

Mijn slot:

Mijn titel en uitsmijter:

Mijn diagram:

Mijn definitieve tekst:

Feedback van klasgenoten en docent:

Les 10 De carrousel draait... (copy)

...en stopt nooit

Tijdens deze cursus heb je vele rondjes meegedraaid in de schrijfcarrousel. Je hebt tijdens het schrijven vaak overlegd met klasgenoten en samen met je docent heb je bekeken hoe andere schrijvers het aanpakken. Je weet nu hoe je zelfstandig aan je taalverzorging kunt werken en je hebt geleerd hoe je de samenhang in je teksten kunt verbeteren. Je hebt ontdekt dat signaalwoorden een belangrijke rol kunnen spelen en je hebt zelf ervaren dat een goede titel en een pakkende uitsmijter groot verschil kunnen maken. 

Hiermee heb je de basis gelegd om in de toekomst allerlei soorten teksten op een goede manier op papier te krijgen. Er zal nog veel schrijfwerk volgen: werkstukken op school, scripties in het hoger onderwijs, privéteksten, blogs op internet, beleidsstukken op je werk, en ga zo maar door. In die teksten ga je je lezer verhalen vertellen, informatie geven, dingen uitleggen, instructies geven, overtuigen en tot nadenken aanzetten. 

Met de kennis die je nu hebt opgedaan hoef je daar niet tegenop te zien. De carrousel stopt immers nooit. Zolang jij je tijdens het schrijven af blijft vragen of je tekst nog goed te begrijpen is voor je lezer en steeds even een extra rondje meedraait in de carrousel om te kijken of je boodschap goed overkomt, zal jij je doel bereiken. Booster is daarbij het hulpmiddel dat je steeds in je achterhoofd houdt. Je hebt immers gemerkt dat je teksten veel beter worden als je eerst nadenkt over het doel en de inhoud, dan pas gaat schrijven en na afloop veel aandacht besteedt aan de controle. 

Test nu de kennis die je hebt opgedaan tijdens deze cursus. 

Schrijven is moeilijk, omdat

  • de Nederlandse taal veel moeilijke regels kent
  • je brein op meerdere plekken tegelijk bezig is
  • de schrijfopdrachten op school vaak saai zijn
  • het moeilijk is om bij je langetermijngeheugen te komen

Zoek de fout. Welke reactie hoort daarbij? Sleep die ernaartoe.

  • Stomme spelling
  • Wil oma dat?

Kies het juiste antwoord

Booster is een handig hulpmiddel om je schrijfproces in stappen te verdelen. Er zijn in totaal stappen.

De eerste stap is , wat inhoudt dat je .

Daarna ga je . Dat betekent dat je .

Als derde stap ga je nu . Je bepaalt dus uit welke onderdelen je inleiding, je kern en je slot zullen gaan bestaan. Het is heel handig om dat in de vorm van een bouwplan te doen: je noteert in één of twee zinnen wat er in iedere alinea aan bod zal komen.

Na deze drie voorbereidende stappen, ben je toe aan het eigenlijke . Je arme brein hoeft nu niet meer na te denken over de inhoud en de opbouw, dus je kunt je volledig richten op het formuleren. Natuurlijk probeer je intussen ook al te letten op het juiste gebruik van signaalwoorden. Aan het eind van deze vierde stap, bedenk je een goede 

Tijdens de vijfde stap, , probeer je je te verplaatsen in je lezer. Zal je met deze tekst je doel bereiken? Je streept alles aan wat volgens jou beter kan, zoals de volgorde van je kernalinea's, de overgangen tussen de zinnen en de alinea's en zaken op het gebied van de taalverzorging. 

 is de zesde stap en misschien is dit wel de belangrijkste van alle stappen. Je gaat nu beslissen hoe je de tekst gaat verbeteren. Soms kan dat een heel andere tekst opleveren, bijvoorbeeld omdat je na het teruglezen toch vindt dat je met een andere anekdote moet beginnen of omdat je hebt ontdekt dat één argument niet zo sterk is. 

De laatste stap is nu logisch: je gaat je tekst . Terwijl je de wijzigingen aanbrengt, weet je dat je altijd weer even terug kan naar één van de vorige stappen, want de carrousel 

Waar of niet waar?

  • Met een diagram van je tekst kun je de spelling controleren
  • Een inleiding kun je prima beginnen met een prikkelend citaat
  • 'Bovendien' is een voorbeeld van een tegenstellend signaalwoord
  • Als je je lezer wilt overtuigen, moet je sterke argumenten bedenken
  • Duidelijke voorbeelden kunnen een tekst beter maken

Als je je afvraagt of aan het eind van een werkwoord een d of een t moet komen, ben je bezig in je

  • werkgeheugen
  • langetermijngeheugen

Zoek de fout. Welke reactie hoort daarbij? Sleep die ernaartoe.

  • Niet voor taal..
  • Voor een diplooma!

Waar of niet waar?

  • In een inleiding moet je altijd het onderwerp van je tekst introduceren
  • Een anekdote is een kort verhaaltje over iets wat je zelf hebt meegemaakt
  • In een inleiding mag je best al een citaat opnemen
  • Alle deelonderwerpen die je in de kern gaat behandelen, moet je noemen in de inleiding
  • Een goede inleiding bevat altijd een grapje

Welke horen bij elkaar?

  • Als je je lezer tot nadenken wilt aanzetten
    kies je een hoofdvraag in plaats van een hoofdgedachte
  • Geschikte signaalwoorden aan het begin van je slot zijn
    Kortom, al met al, concluderend
  • Je uitsmijter wint aan kracht als
    je titel of je anekdote erin terugkomen
  • Fout gespelde werkwoordsvormen
    belemmeren het bereiken van je schrifdoel
  • Een goede titel
    trekt de aandacht van je lezer

Waar of niet waar?

  • De kern van je tekst hoef je niet met behulp van alinea's in te delen
  • Het is handig voor de lezer als je in de kern aan het begin van de alinea's opsommende signaalwoorden gebruikt
  • De kernzin van een alinea hoef niet altijd de eerste zin te zijn
  • Het is niet zo erg als je kern veel korter is dan je inleiding
  • Als je iets belangrijks vergeet in je kern, kun je dat later nog wel even in je slot noemen

Zoek de fout. Welke reactie hoort daarbij? Sleep die ernaartoe.

  • Tja, kinderfeestjes...
  • Snel naar school!

Waar of niet waar?

  • In een slotalinea kun je best nog even een nieuw deelonderwerp behandelen
  • Als je in je inleiding een anekdote hebt gebruikt, is het mooi om daar in je slotalinea nog even op terug te komen
  • Een samenvatting is eigenlijk hetzelfde als een conclusie
  • De laatste zin van je tekst is niet meer zo heel belangrijk, die staat toch helemaal achteraan
  • Kortom is een geschikt signaalwoord om je slotalinea mee te beginnen

Vul het juiste woord in

Als je wilt controleren of de eerste versie van je tekst genoeg  vertoont, kun je een diagram maken. Zo'n diagram bestaat uit de genummerde  van je tekst. Daarachter noteer je steeds  waarbij je een stapje naar rechts gaat als de nieuwe zin voortborduurt op de vorig zin. Als het goed is, zie je in het diagram dan een . Als het niet goed is, kun je je tekst verbeteren door 

Het belangrijkste tijdens het redigeren is

  • signaalwoorden tellen
  • goed letten op de werkwoordspelling
  • je verplaatsen in je lezer
  • titel en uitsmijter op elkaar afstemmen

Wat kun je beter niet opnemen in je inleiding?

  • een anekdote
  • een conclusie
  • een opvallend onderzoeksresultaat
  • een emotioneel citaat

Hoe kun je je kernalinea's mooi met elkaar verbinden?

  • door geen witregels tussen de kernalinea's te gebruiken
  • door de kernzin van iedere alinea steeds aan het begin te zetten
  • door signaalwoorden en signaalzinnen
  • door de alinea's te nummeren

Welke van de onderstaande functies kan een slot niet hebben?

  • aanbeveling
  • afweging
  • samenvatting
  • argument

'De carrousel stopt nooit' betekent:

  • dat je altijd weer verbeteringen kunt aanbrengen in je tekst
  • dat je in je hele leven teksten zult blijven schrijven
  • dat het onmogelijk is om een perfecte tekst te schrijven