"Klein kijken" EMB/(Z)EVB

ervaringsordening

Hoe ordent een cliënt

Ontwikkeling en ervaringsordening

In de loop van ons leven raken we steeds bedrevener in het ordenen van onze ervaringen. Telkens opnieuw onderzoeken we de orde in de werkelijkheid, om er grip op te krijgen en een actieve rol te kunnen spelen. Dat proces gaat steeds sneller. Steeds meer situaties en gebeurtenissen worden al snel herkend op basis van eerdere ervaringen. Je zou kunnen zeggen dat je niet alleen op pad gaat met een zoeklicht op je voorhoofd (we grijpen weer even terug op de eerste beeldspraak), maar ook met een rugzak op je rug. Elke ring van het zoeklicht geeft informatie over zijn eigen deel van de werkelijkheid. Op basis van die informatie brengt elk deel van de ervaringsordening zijn eigen orde aan in de werkelijkheid, en deze informatie wordt weer opgeslagen in je rugzak. Zo kunnen we in de loop van ons leven uit een steeds vollere rugzak putten.

Binnen de menselijke ontwikkeling zijn er veel verschillende ontwikkelingsdomeinen te onderscheiden, elk met hun eigen stadia. De totale ontwikkeling van een mens volgt echter geen trapsgewijs proces, maar verloopt complex en onvoorspelbaar. Zoals we al hebben gezien, is deze ordening namelijk een totaalordening. De vier delen van ervaringsordening functioneren nooit los van elkaar, en onze rugzak wordt voortdurend gevuld met informatie uit álle ringen van het zoeklicht. Er is dus sprake van vier verschillende lampjes in het zoeklicht die één voor één aanspringen zodra je een bepaald stadium in de ontwikkeling hebt bereikt. De vier ringen vormen samen één zoeklicht waarin één licht brandt en het zoeklicht van de ervaringsordening gaat pas uit wanneer ons eigen lichtje dooft.

Als we kijken naar de levensloop van de mens, kunnen we echter wel perioden herkennen waarin we bepaalde delen van die rugzak relatief sneller kunnen bijvullen dan andere delen.

Welke ordeningen zijn er

Het Lichaamsgebonden deel van die rugzak wordt bijvoorbeeld nooit meer sneller gevuld dan in het eerste jaar van ons leven. Aanvankelijk zijn alle sensaties vanuit ons eigen lijf nog nieuw voor ons. We worden bijvoorbeeld voor het eerst opgetild en aangeraakt. En als we als pasgeboren baby honger krijgen, hebben we nog geen idee wat ons overkomt. We hebben alleen een heel vervelend gevoel waar we meteen van af willen. Stapje voor stapje leren we ons lichaam en de mogelijkheden daarvan kennen. Een baby is zich in het begin nauwelijks bewust van zijn eigen handjes. Als hij net lekker in slaap valt, komen deze dingen als een soort ongeleid projectiel voorbij vliegen om hem uit zijn slaap te houden. Of ergen nog, ze krabben zijn eigen neus open. Maar langzaamaan gaat hij ervaren dat deze dingen bij hem horen. Hij leert, eerst bij toeval, de mogelijkheden ook waarderen en zij handjes gericht gebruiken. Dan gaat hij grijpen naar een speeltje of mama’s gezicht aanraken. Wat een pret. Omdat in dat eerste jaar de werkelijkheid zo sterk geordend wordt vanuit het lichaamsgebonden deel van de ervaringsordening, is het dan ook extra belangrijk dat de veiligheid van het lijf niet bedreigd wordt. Een onveilig lichaam maakt voor een baby, nog meer dan voor ons, het hele bestaan op dat moment onveilig. Het associatieve deel van de ervaringsordening werkt ook al meteen. Je leert namelijk al over je omgeving voor je geboren bent. Voor een baby is de stem van zijn moeder, zonder dat hij dat zelf weet in de buik al vertrouwd. Haar geur kan hij valk na de geboorte al onbewust onderscheiden van die van andere mama’s. De dingen die dicht bij zijn lijfje en de directe behoeften staan, leert een kind het snelste kennen. Maar dat breidt zich snel uit. Zeker nadat het zijn eigen lijf al voor een groot deel heeft leren kennen, waarderen en gebruiken. Dan komt het leren kennen van de omgeving ineens in een stroomversnelling. Een kind kan vanaf dat moment zijn kleine lijfje namelijk actief gaan gebruiken om op expeditie te gaan. Het kan zijn omgeving gaan onderzoeken. Eerst nog dichtbij, terwijl hij de dingen in de box vastpakt en verkend met al zijn zintuigen. Daarna gaat het kind eens verder kijken, omdat het inmiddels geleerd heeft zijn lijf te gebruiken om te kruipen of te lopen. Het lichaam is letterlijk en figuurlijk het voertuig waarmee het de omgeving leert kennen. Papa en mama kunnen niet uitleggen hoe die omgeving in elkaar zit, dat moet aan den lijve worden ervaren. Het kind leert pas wat ‘onder’ betekend nadat het een paar keer zijn hoofd heeft gestoten onder de salontafel. Net zoals je pas echt weet wat een lychee is als je zo’n vreemd fruit een keer afgepeld, geroken en gegeten hebt.

Zo komen de delen van de ervaringsordening dus samen tot ontwikkeling, en niet een voor een. Maar toegenomen mogelijkheden binnen een deel zijn wel ondersteunend aan het verder ontwikkelen van de mogelijkheden binnen andere delen.

Nadat het kind zijn eigen lichaam en de mogelijkheden daarvan heeft leren kennen, waarderen en gebruiken, kan het dus opeens in een sneltreinvaart zijn omgeving gaan verkennen. Het kind kan zijn lichaam nu actief gaan gebruiken bij het vullen van het associatieve deel van die rugzak. Dat is het moment dat het de stabiliteit en betrouwbaarheid van de werkelijkheid nog nadrukkelijker onder de loep gaat nemen. In de ontwikkeling ligt die piek ongeveer rond de vroege peuterperiode. Het kind leert dat een beker dient om te drinken ( associatie). Eerst alleen die ene speciale waar het zelf uit drinkt, maar al snel wordt alles wat lijkt op een beker of kopje herkend als het voorwerp waaruit je kunt drinken. Actie-reactiespeelgoed is mateloos populair in deze periode, omdat het de mogelijkheid geeft te onderzoeken: ‘Als ik hierop sla, dan gaan daar lichtjes knipperen.’ Maar niet alleen het speelgoed wordt op deze wijze verkend. Ook de medemens wordt uitgebreid ‘getest’: ‘als ik mijn zusje aan haar haren trek, gaat ze dan weer gillen?’En het geeft een fijn gevoel als de omgeving zich gedraagt zoals het kind dat geleerd heeft; de dreumes glundert van trots als zijn verwachting uitkomt. De rugzak, helaas voor het zusje, nog niet gevuld met kennis over haar beleving. Nooit meer in je leven leer je zoveel over de omgeving als in deze periode. Er ontstaan eindeloos veel koppelingen. Ik zie mijn beker, ik krijg drinken. Ik zie mijn jasje, ik mag mee. En deze losse koppelingen groeien uit tot reeksen van koppelingen. Bijvoorbeeld het ritueel van naar bed gaan. Zonder dat het kind dit onder woorden kan brengen (het kan ’s ochtends niet bedenken hoe ’s avonds het ritueel van naar bed gaan verloopt), kent het ritueel van melk drinken, tanden poetsen, boekje voorlezen, knuffelen en ingestopt worden. Zeker omdat het kind nu extra druk is zijn omgeving op een associatieve wijze te ordenen, hecht het veel waarde aan die herkenbaarheid, regelmaat, vaste patronen en rituelen.

We zijn nooit klaar met lichaamsgebonden en associatief ordenen. Toch komt er een moment dat die rugzak zo goed gevuld is dat we er een behoorlijke dosis zelfvertrouwen van krijgen. Ons lichaam is voldoende veilig en het is voor ons voldoende duidelijk hoe de omgeving in elkaar steekt. We zijn wel klaar voor een beetje ‘experimenteren’. We hebben zogezegd een gevoel van ‘basisveiligheid’. De peuter komt steeds meer los van de vertrouwde ander. Dat is het begin van de welbekende koppigheidsfase, gemiddeld vanaf ongeveer tweeënhalf jaar.

Lange tijd hield het kind zelf erg vast aan wat het had geleerd, bijvoorbeeld over de volgorde van het bed ritueel. Vanaf nu heeft het in toenemende mate de moed om elementen uit die associatiereeksen weg te laten, of van volgorde te wisselen. Wat gebeurt er als ik me niet aan die reeks hou? Als ik mijn pyjama niet aandoe? Door de ervaring die peuters hiermee opdoen, gaan ze steeds meer het verband ontdekken tussen de elementen uit een associatiereeks en de manier waarop die met elkaar samenhangen. Als we bijvoorbeeld soep met brood eten, dan is dat ‘avondeten’; maar soep, hoofdgerecht en een toetje kan ook. Het blijft allemaal de gebeurtenis avondeten. Het verhaal is dus meer dan de som van de losse delen. Dat toenemende inzicht maakt dat het structurerende deel van de rugzak vliegensvlug wordt gevuld. Het structurerende deel, het gevoel voor samenhang was altijd al actief. Maar de samenhangen die het kind gaat overzien, worden nu steeds groter en complexer. Het kind leert als het ware om niet alleen in het moment te kijken. Er ontstaat dus een eerste inzicht in tijd, een besef van gisteren en morgen. Ook op andere gebieden, zoals ruimtelijk inzicht, ontstaat het vermogen om van een afstandje naar zaken te kijken. Niet alleen weet een kind dan hoe een ruimte eruitziet. De beleving van de werkelijkheid verschuift langzaam van gefragmenteerd naar samenhangend, van een aaneenrijging van foto’s naar een film met een verhaal.

Het kind gaat daardoor nadrukkelijker beseffen dat het ‘ik’ van vandaag hetzelfde is als dat van gisteren en dat van morgen. Daarom kan het nu leren over wie het zelf is, en wat het daar dan allemaal mee kan. De kleuter maakt daarmee een sprong in het vullen van het vormgevende deel van de rugzak. Hij wordt zich bewust van hoe hij zichzelf actief kan inzetten om de samenhang aan te passen aan zijn eigen wensen en verlangens. Hoe hij dat verhaal op zijn eigen manier actief vorm kan geven. En zelfs hoe hij vorm kan geven aan situaties die nog moeten komen (‘Mama, mag ik vanmiddag bij Pleuntje gaan spelen?’). Vanaf een leeftijd van ongeveer zes jaar zijn alle delen van de rugzak dermate gevuld dat een kind niet langer relatief sterk hoeft te leunen op één bepaalde manier van ordenen. Alle mogelijkheden kunnen en zullen gelijktijdig en door elkaar actief gebruikt worden in het aangaan van de werkelijkheid.

Het lichaamsgebonden deel van de basis van alle ervaringen, daar kunnen we niet zonder. Het associatieve dele van de ervaringsordening verankert het lijf in de directe omgeving en in het huidig moment. Vanuit die basisveiligheid biedt het structurerende deel ons vervolgens de mogelijkheid om wat afstand te nemen van die omgeving. Om verder te kunnen kijken dan het moment, en het geheel van de gebeurtenissen te overzien, ingebed in tijd en ruimte. Het vormgevende deel voegt daar de mogelijkheid aan toe om zich een voorstelling te maken van totaal nieuwe samenhangen. Men kan vooruit denken, initiatief nemen en een planning maken die past bij de eigen wensen en behoeften. Bij de meeste volwassenen is de rugzak goed gevuld. Toch houdt het lichaamsgebonden ordenen nooit op, want je lijf kun je nooit thuis laten. Ook de associatieve ordening blijft een essentiële rol spelen. Het leven zou bijvoorbeeld een stuk ingewikkelder worden zonder associatiereeksen. Je kunt tijdens het tanden poetsen alvast bedenken wat je die dag gaat doen, omdat je deze handeling op de automatische piloot uit kunt voeren. Stel je eens voor dat je voortdurend op een vormgevende manier je tanden moet poetsen, en je vormgevend moet aankleden … Ook krijgen wij nog veel informatie via het associatieve deel van ervaringsordening. Zo weet je in een nieuwe omgeving het toilet vaak al snel te vinden vanwege de pictogrammen die je de weg wijzen. Ook wil het niet zeggen dat er altijd, in alle omstandigheden optimaal gebruikgemaakt kan worden van alle aanwezige mogelijkheden. Iemand functioneert niet voortdurend op de top van zijn kunnen. Ontwikkeling is immers geen trapsgewijs proces waarbij je op enig moment een bepaalde trede hebt bereikt waarop je vervolgens blijft staan. Actief en bewust gebruikmaken van de structurerende of vormgevende mogelijkheden kan bijvoorbeeld alleen bij de gratie van een (voldoende) veilig lichaam en een omgeving die voldoende betrouwbaarheid biedt. Denk maar eens aan hoe het voelt wanneer je net begonnen bent op een nieuwe werkplek. Je zult een tijdje nodig hebben om de omgeving, de routines en de collega’s goed te leren kennen. De eerste dagen (of weken) kom je doodmoe thuis omdat wennen energie kost. Als het goed is, wordt er niet van je verwacht dat je in zo’n eerste periode al ‘piekt’ en allerlei briljante en creatieve ideeën inbrengt. Hoe die dynamiek werkt, zal in de volgende paragraaf duidelijk worden.

  • lichaamsgebonden deel, associatieve deel, structurerende deel, vormgevende deel.
  • lichaamsgebonden deel, vormgevende deel
  • structurerende deel, vormgevende deel
  • associatieve deel, structurerende deel, lichaamsgebonden

welk kenmerk hoort bij het lichaamsgebonden deel

  • Sensaties
  • Herkenning
  • Begrip

Match het kenmerk bij de ordening

  • lichaamsgebonden
    Sensaties
  • Associatief
    Koppelingen, gewoontes en herkenning
  • structurerend
    Begrip, inzicht
  • Vormgevend
    Eigen kleur toevoegen

welke levensjaren zijn gekoppeld aan de ervaringsordening

1 Lichaamsgebonden ordening

(beginnend in het 1e levensjaar)

Kernwoord: sensatie

Er is nog geen onderscheid tussen het ik en de buitenwereld. Genieten van beweging staat centraal. Het gaat om de sensatie.

Kernbegrippen:

  • Volgen met de ogen.

  • Alert zijn.

  • Het maken van doelloze bewegingen (bijvoorbeeld wiegen).

  • Geïnteresseerd zijn in geluiden, ook zelf geluiden maken.

  • Lichamelijk contact zoeken (eindeloos, zonder begin of eind).

Eind lichaamsgebonden begin associatief (overgangsfase)

  • Klanken uiten, meer om het effect van de klank, nog niet communicatief. Doel is wel aandacht trekken, maar inhoudelijk hebben de klanken weinig met communicatie te maken.

  • Er is een allereerste begin van wederkerigheid.

  • Er is een allereerste begin van associaties (verbaal), bijvoorbeeld stereotiepe woordjes (klanken) bij steeds terugkerende handelingen of emoties.

  • Doet eenvoudige handelingen zoals wijzen, iets ergens instoppen.

  • Imitatie van eenvoudige mimiek en geluiden.

Begeleidingsadviezen:

  • Zoek oogcontact om de aandacht te krijgen.

  • Contact van dichtbij aanbieden (maximaal 1 meter).

  • De persoon reageert het meest op mimiek, gebaren, maar vooral ook op intonatie en melodie van de stem.

  • Reageer op elke communicatievorm van de persoon, geef bevestiging, moedig aan.

  • Zorg voor een individuele benadering.

  • Bied zoveel mogelijk zintuigelijke ervaringen aan.

  • Herhaling, herkenning, het terug komen van ervaringen is belangrijk.

  • Maak zelf muziek of zing, het heeft meer effect, er worden meer zintuigen geprikkeld (meer alertheid).

  • Snoezelen hoort bij deze fase.

2 Associatieve ordening (beginnend 2e levensjaar)

Kernwoord: verwachting

Begin van associaties: ‘Als ik dit doe, dan gebeurt er dat’. Leven in het hier-en-nu staat centraal. Zien wordt herkennen en aan het eind van de fase ook weten, maar alleen binnen de eigen beleving.

Kernbegrippen:

Begin van de fase

  • Vaste begeleiders worden herkend.

  • Gebruikte taal is meestal ‘geleende’ taal.

  • Ondanks dat de persoon woorden nazegt, reageert hij het meest op houding en gebaar van de begeleider.

  • Als de persoon praat, gaat het meer om de aandacht dan om de inhoud van wat hij zegt. Houding en intonatie maken vooral duidelijk wat bedoeld wordt.

  • Activiteiten worden begeleid door stereotiepe woorden of geluiden, meest nagebootste/ geleende klanken of woorden.

  • De persoon is nog steeds ik-gericht (dit wordt geleidelijk minder) en leeft in het hier-en-nu.

  • De persoon kan korte tijd met iets bezig zijn (begin van concentratie).

  • Hij reageert sterk op prikkels ( is snel afgeleid, is meer alert, volgt).

  • Hij doet taken om de begeleider een plezier te doen.

Midden van de fase

  • Meer personen uit de omgeving worden herkend.

  • Gebeurtenissen die regelmatig voorkomen, worden herkend.

  • De persoon herkend plaatjes, foto’s en natuurlijke gebaren.

  • Er is iets meer wederkerigheid, de persoon vraagt om bevestiging.

  • De persoon neemt meer initiatieven tot communicatie.

  • Hij springt bij gespreksonderwerpen van de hak op de tak.

  • Korte concentratie.

  • Sterke behoeften aan vaste gewoonten, vast dagritme.

Eind van de fase

  • De persoon leeft in het hier-en-nu, maar er is al enig besef van verleden en toekomst (gisteren en morgen), maar het is nog steeds moeilijk om erover te praten.

  • De persoon begrijpt eenvoudige woorden en opdrachten in concrete situaties.

  • De persoon spreekt in korte, concrete zinnen, direct gericht op de situatie, de behoeften of concrete wensen.

  • Kan zich nog niet in een ander verplaatsen.

  • Behoeften aan duidelijkheid en vaste ordening.

  • Heeft nog geen tijdsbesef, maar wel ene tijdsgevoel. Tijd wordt gekoppeld aan de vaste structuur van de dag.

  • Zelfredzaamheid komt op gang (zelf eten, drinken, aan/uitkleden).

Begeleidingsadviezen

Begin van de fase

  • Als je contact zoekt doe dit dan vanaf een korte afstand (maximaal 3 meter).

  • Zorg dat er eerst oogcontact is, voordat je tegen de persoon praat.

  • Houd er rekening mee dat je lichaamstaal (gebaar), intonatie en melodie van je stem meer overeenkomt dan wat je inhoudelijk zegt (de gesproken woorden).

  • Spreek in korte, eenvoudige zinnen.

  • Laat dat wat je zegt overeenkomen met dat wat je uitstraalt.

3 Structurerende ordening (beginnend in het 3e levensjaar)

Kernwoord: herinnering

De persoon gaat zien dat de omgeving is opgebouwd uit herkenbare structuren. Hij is minimaal afhankelijk van zijn begeleider. Het stellen van w-vragen staat centraal. Er is een eerste begin van het verwoorden van een eigen herinnering.

Kernbegrippen

  • De persoon heeft meer inzicht in situaties, kan vooruit denken op wat komen gaat (inzicht in oorzaak en gevolg).

  • De persoon kan omgaan met veranderingen in het dagelijkse patroon.

  • De persoon begrijpt eenvoudige gesproken taal en kan verwoorden waar hij mee bezig is.

  • De persoon toont enige verbeelding en fantasie (in spel of verhalen).

  • Hij kan omgaan met symbolen (pictogrammen, agenda).

  • De concentratie is groter.

  • Bevestiging blijft belangrijk.

  • De persoon stelt w-vragen (wie, wat, waar, wanneer).

  • De persoon kan zich enigszins in een ander verplaatsen.

  • Er is meer wederkerigheid in het contact (uitwisseling).

  • De persoon voegt informatie toe aan het gesprek.

  • Hij begrijpt meer dan hij zelf kan verwoorden.

  • Hij kan keuzes maken uit verschillende eenvoudige mogelijkheden (kleding, voedsel).

  • Hij krijgt enigszins tijdsbesef.

Begeleidingsadviezen

  • Korte eenvoudige opdrachten geven.

  • Als de persoon iets vertelt, moet je als begeleider de kernwoorden herhalen, zodat hij de draad kan vasthouden.

  • Visuele ondersteuning is nodig om het overzicht vast te houden (dagagenda, weekoverzicht).

  • Laat de persoon zien waaruit hij kan kiezen (bijvoorbeeld met behulp van plaatjes).

  • Stimuleer de persoon tot het maken van eenvoudige keuzes, betrek hem bij overleg rond uitstapjes, vakantie en dergelijke.

  • Pas op voor overschatting(in een gestructureerde situatie kunnen deze mensen veel meer dan in een vrije situatie).

  • Mensen die in deze fase zitten kunnen elkaar verzwakken in een gesprek, er is altijd iemand nodig die het gesprek stuurt.

  • Abstract taalgebruik, taal met een onderliggende boodschap of een grap wordt niet begrepen. De persoon vat alles letterlijk op, of reageert op je non-verbale uitstraling (gaat meelachen).

4 Vormgevende ordening (beginnend in het 5e levensjaar)

Kernwoord: abstractie

De persoon kan iets eigens toevoegen aan bekende structuren (oplossingen bedenken, ideeën aandragen). Persoonlijke vrijheid staat centraal (rekening houdend met de beperking). Het begin van het begrip voor abstract taalgebruik en van een ‘onderliggende boodschap’.

Kernbegrippen

  • Fantasie, creativiteit humor begint te komen.

  • De emotie gaat zichzelf ontwikkelen (kunnen praten over eigen gevoelens).

  • De persoon kan echt vriendschap sluiten.

  • Hij kan zich volledig verbaal uiten.

  • Hij kan luisteren naar het verhaal van anderen en daarop reageren.

  • Hij heeft een goed tijdsoverzicht.

  • Abstract taalgebruik blijft moeilijk te begrijpen.

  • Hij kan eigen plannen maken en oplossingen bedenken.

  • Hij kan complexe situaties overzien ( kan de essentie van een gebeurtenis eruit halen).

  • Hij begrijpt eenvoudige sociale omgangsregels.

  • De persoon kan veel, maar kan de gevolgen ervan niet altijd overzien ( het verschil tussen kunnen en aankunnen, en zien en overzien). De persoon kan zichzelf overschatten.

  • Er is sprake van een toenemende eigen identiteit.

Begeleidingsadviezen

  • Blijf concreet in het taalgebruik, spreek in niet te lange zinnen.

  • Bevestig de persoon in wat hij kan.

  • Geef de persoon de tijd en de ruimte om zelf keuzes te maken.

  • Hij kan terecht in het ‘normale’ circuit met betrekking tot therapieën en dergelijke, mits dit begeleid wordt.

  • Er kan begonnen worden met het aanleren van sociale en maatschappelijke omgangsregels.

  • Zorg voor afwisseling en uitdaging in de werkzaamheden.