Italie

Over het land Italie

Informatie over Italie

Informatie over Italie

Italië, officieel de Italiaanse Republiek (ItaliaansRepubblica Italiana), is een land in Zuid-Europa. Ten noorden grenst Italië aanFrankrijkZwitserlandOostenrijk en Slovenië. De rest van het land wordt omringd door de Tyrreense Zee, de Middellandse Zee, deIonische Zee en de Adriatische Zee. De eilanden SiciliëSardinië en Elba en een aantal kleinere eilanden behoren ook tot Italië.

Een groot deel van het vasteland van Italië is gelegen op het Apennijns Schiereiland en wordt omgeven door water. Vanwege de langgerekte vorm wordt het land ook wel "de laars" genoemd. Op een grondgebied van ruim 300.000 km² wonen 61.855.120 (2015)Italianen. De hoofdstad van het land is Rome (Roma). De onafhankelijke staten Vaticaanstad, waarvan de paus het hoofd is, en San Marino zijn twee enclaves binnen de Italiaanse grenzen. Campione d'Italia is een Italiaanse exclave in Zwitserland.

Italië was in de Oudheid het centrum van het Romeinse Rijk, dat uitgroeide tot het grootste rijk van Europa. Later stond in Italië, meer bepaald in de regio Toscane, de wieg van de renaissance. Op 17 maart 1861 vond de Italiaanse eenwording plaats, en sinds demonarchie in 1946 door de bevolking werd weggestemd, is het bestaan van de Repubblica Italiana een feit. Het tegenwoordige Italië is een parlementaire republiek met zowel een president als een premier aan de macht en is op internationaal gebied vertegenwoordigd in organisaties als de Europese Unie, de Verenigde Naties, de NAVO, de WTO en de G8.

Italië hoorde in 2005 bij de top tien landen in de Quality-of-life index.

 

Staatsinrichting

Politieke Geschiedenis

De Italiaanse politiek werd vanaf de Tweede Wereldoorlog lange tijd gedomineerd door drie partijen: de communistische PCI, met in het begin van de jaren 70 34% van de kiezers achter zich, en de christendemocratische Democrazia Cristiana, toen goed voor 39%, alsmede de sociaaldemocratische PSI (Partito Socialista Italiana). De angst voor de communistische partij was een van de factoren die de DC hielp van 1947 tot 1992 in het zadel te blijven, in diverse coalitie's, veelal samen met de PSI.

Toenmalig premier Aldo Moro was in de jaren 70 één van de weinigen die begreep dat de uitsluiting van de PCI voor de regering ook een voortdurende uitsluiting van een belangrijk deel van het electoraat betekende. Hij deed pogingen om een zogenaamd historisch compromis met de PCI te bereiken. Hij werd echter in 1978 door de Rode Brigades ontvoerd en vervolgens vermoord, waarna het idee verder geen vervolg kreeg.

In een laatste poging om het 'oude' politieke systeem te redden werd in 1984 de PSI-socialist Bettino Craxi premier, die voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis zo goed als de gehele termijn zijn regering bij elkaar kon houden.

Hierna echter kwam een serie corruptieschandalen aan het licht, die weliswaar alle partijen trof, maar die vooral de DC en de PSI van Craxi in een diepe crisis stortte. Uiteindelijk leidde deze crisis zelfs tot de opheffing van zowel de DC alsmede de PSI in de periode 1992-1994. Deze operatie 'Maní pulite' (schone handen) kwam in 1992 op gang na de ontdekking door onderzoeksrechter Antonio Di Pietro van grootscheepse politieke corruptie (Tangentopoli, Omkoopstad) in Milaan en op basis van de onderzoeken naar aanleiding van de moord op rechter en maffiabestrijder Falcone.

Het gevolg was, dat het kiessysteem volledig werd hervormd (voornamelijk in een meerderheidsysteem met districtenstelsel) en de politieke constellatie werd tegelijk volledig door elkaar geschud.

Vanaf de jaren 90 wordt de Italiaanse politiek beheerst door enerzijds een rechts blok, met Forza Italia (de partij van Silvio Berlusconi), de separatistische en xenofobe Lega Nordvan Umberto Bossi en de post-fascistische Alleanza Nazionale. Daartegenover staat een centrumlinks blok (= Ulivo), momenteel onder leiding van voormalig Europees commissievoorzitter Romano Prodi. President tot begin 2015 was Giorgio Napolitano, ook al van linkse garnituur: hij behoort tot de partij Democratici di Sinistra. Sinds 14 januari van dat jaar bekleedt senaatsvoorzitter Pietro Grasso deze functie als tijdelijke overgangsmaatregel.

Centrum-links won op 9 en 10 april 2006 nipt de verkiezingen en voorkwam zo dat de kort daarvóór gevallen rechtse regering Berlusconi een nieuwe termijn kreeg. Deze had een populistische neoliberale/conservatieve politiek gevolgd en werd tegelijk geteisterd door beschuldigingen van corruptie, vooral aan het adres van premier Berlusconi. Hij zou fiscale fraude gepleegd en rechters omgekocht hebben als leider van zijn zakenimperium. Hij stelde zichzelf echter buiten vervolging door een wet die de premier onschendbaarheid verschaft zolang hij in functie is. Ondertussen zijn alle corruptiezaken tegen hem zo goed als verjaard.

Berlusconi kreeg ook scherpe kritiek omdat hij als eigenaar van drie commerciële televisiestations een mediamonopolie had dat hij misbruikte. Bovendien zuiverde hij als premier ook de openbare omroep Rai van al te kritische journalisten en programmamakers.

Na zijn verkiezingsnederlaag van 2006 maakte Berlusconi gewag van fraude, maar daar bleek uiteindelijk niets van aan. Prodi had de verkiezingen nipt gewonnen met 49,8% tegen 49,7%. De winst is vooral gekomen dankzij de stemmen uit het buitenland, van Italianen buiten Italië die voor het eerst stemrecht hadden verkregen; een wetsverandering overigens waar met name rechts jarenlang voor had gepleit. Sinds de verkiezingen van 2006 werd het land vervolgens geregeerd door de centrum-linkse regering van Prodi, die echter in een voortdurende staat van crisis het land bestuurde, aangezien de meerderheid in het parlement (met name in de Senaat) dermate klein was dat regelmatig de vertrouwenskwestie aan de orde kwam om ook echt àlle stemmen van links mee te laten stemmen ten faveure van de voorgestelde regeringsbesluiten. Uiteindelijk viel de regering dan ook op 24 januari 2008 nadat de kleine partij UDEUR (3 zetels in de Senaat) onder leiding van minister Mastella zijn steun introk. Hiermee kon de regering niet meer op een meerderheid in de Senaat terugvallen en moest Prodi zijn ontslag aanbieden aan president Napolitano. Laatstgenoemde besloot, na een mislukte poging tot het formeren van een interim-regering, verkiezingen uit te schrijven voor april 2008.

Na deze val van de regering-Prodi werd het rechtse blok nog steeds aangevoerd door Silvio Berlusconi. Het linkse blok werd geleid door Walter Veltroni, ex-burgemeester van Rome, en partijleider van de destijds pas opgezette Partito Democratico (PD). De consituerende delen van de PD (onder andere ook de grootste als DS en Margherita) hebben zich vastgelegd in een opgaan in de nieuwe PD.

Aan centrum-rechtse zijde ontstond ook een nieuwe grote partij, waarin onder andere Forza Italia en Alleanza Nazionale zijn opgegaan. Onder leiding van Silvio Berlusconi nam Il Popolo della Libertà het in de parlementsverkiezingen van 2008 op tegen Veltroni's PD. Deze verkiezingen won Berlusconi met een ruime voorsprong op Veltroni. Hij werd bijgevolg voor de derde maal minister-president van Italië.

Berlusconi beloofde om af te treden mits de hervormingen die opgelegd werden door de Europese Unie ook daadwerkelijk werden nagekomen. Na de goedkeuring van een pakket besparingsmaatregelen door het parlement hield Berlusconi zich aan zijn belofte: hij bood president Napolitano zijn ontslag aan, dit onder luid gejuich van zijn tegenstanders. Deze vroeg dan aan voormalig EU-commissaris Mario Monti om een regering te vormen van technocraten. Op 16 november 2011 stelde laatstgenoemde die regering voor, waarin hij zelf premier en minister van Economie werd.

Na de verkiezingen van 2013 ontstond er een politieke impasse. In het Huis van Afgevaardigden kreeg de Democratische Partij de meeste stemmen, terwijl in de Senaat er geen meerderheid was voor de Democratische Partij. Hulp van de coalitie van oud-premier Silvio Berlusconi (Il popolo della libertà) of de MoVimento 5 Stelle van komiek Beppe Grillowas uitgesloten. Een kabinet kan niet aantreden als het in beide Kamers geen meerderheid weet te bemachtigen in een vertrouwensstemming. President Napolitano mocht geen nieuwe verkiezingen uitschrijven, omdat hij aan zijn laatste maanden als president bezig was. Bij de verkiezing van een nieuwe president ontstond opnieuw een impasse, daar geen enkele kandidaat een meerderheid behaalde. Napolitano, 87 jaar oud, bood aan een tweede termijn te vervullen, waarna hij een meerderheid haalde en als dusdanig herkozen werd. Hij benoemde Enrico Letta tot formateur van een nieuw kabinet. De Democratische Partij, de coalitie van Berlusconi en de coalitie van oud-premier Mario Montizijn bereid hun steun te verlenen aan dit kabinet. Op 28 april 2013 werd Letta benoemd tot premier van Italië.

In februari 2014 diende Letta zijn ontslag in, nadat zijn eigen partij onder leiding van Matteo Renzi het vertrouwen in hem opzegde. Renzi werd door de president tot formateur van een nieuw kabinet benoemd. Op 22 februari 2014 werd Matteo Renzi beëdigd als premier van Italië.

Bestuurlijke indeling

Kaart van de 20 regio's van Italië

1rightarrow blue.svg Zie Bestuurlijke indeling van Italië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het land is verdeeld in 20 regio's, die in een totaal van 110 provincies worden onderverdeeld.

Deze 20 gebieden hebben ook parlementen en overheden. Als resultaat van een referendum van 2002 dat de regionale bevoegdheden verhoogde, is de federale overheid verantwoordelijk voor buitenlandse relaties en nationale defensie, openbare orde en rechtvaardigheid, verkiezingswet en milieukwesties.

Vijf regio's hebben een autonome status:
Sicilië (Sicilia) - Sardinië (Sardegna) - Valle d'Aosta - Trentino-Zuid-Tirol (Trentino-Alto Adige) - Friuli-Venezia Giulia.

De overige regio's zijn: Piëmont (Piemonte) - Lombardije (Lombardia) - Ligurië (Liguria) - Veneto - Emilia-Romagna - Toscane (Toscana) -Umbrië (Umbria) - Marche (Marche) - Latium (Lazio) - Abruzzen (Abruzzo) - Molise - Campanië (Campania) - Apulië (Puglia) - Basilicata -Calabrië (Calabria).

Kunst en Cultuur