Wft-Basis

Voor iedereen die in de financiële dienstverlening werkt, is het belangrijk de basisbegrippen en basisvaardigheden te kennen. 

In deze opleiding komen de volgende onderwerpen aan de orde:

U leert hoe u de klant kunt informeren, kunt doorverwijzen naar een andere deskundige en hoe u een financiële relatie aangaat. U leert tevens hoe u service verleent met betrekking tot financiële diensten en hoe u  relatiebeheer voert.

Na bestudering van dit onderdeel kunt u een definitie geven van sparen, lenen en ontsparen

Sparen, lenen en ontsparen

Als er geen persoonlijk vermogen aanwezig is, kan de klant dus twee dingen doen: sparen of lenen. Is er wel vermogen aanwezig, dan kan de klant ontsparen.

Sparen

Sparen is het apart zetten van een deel van het geld dat de klant niet direct nodig heeft. De klant geeft het geld dus niet uit. De vermogenspositie van de klant neemt hierdoor toe. De klant kan een vermogensplan opstellen als hij spaart met een bepaald doel. 

 

 

 

 

 

 

 

 

Lenen

De klant kan ook geld lenen. Het voordeel hiervan is dat het geld direct beschikbaar is. De klant hoeft geen periode te wachten om zijn doel te bereiken. Hij kan gelijk overgaan tot het financieren van zijn doel. Een nadeel is dat er aan het lenen van geld wel kosten zijn verbonden.

Ontsparen

Een klant die geld gespaard heeft, kan ontsparen. Ontsparen is namelijk het gebruiken van geld dat is gespaard. 

Jan Jaap Braaksma heeft een spaarrekening waarop een bedrag van € 10.000 staat. Jan Jaap heeft de afgelopen drie jaar dit geld bijeengespaard. Hij neemt € 5.000 op van deze rekening om een tweedehands auto te kopen. Jan Jaap ontspaart dus voor een bedrag van € 5.000.

 

Ontsparen

  • Het aanvullen van tekorten
  • Het besteden van inkomsten
  • Het bewaren van overschotten
Aan welke van de volgende financiële behoeften wordt voldaan als een consument ontspaart?

Sparen

  • Dat een consument een spaarrekening bij een bank opent
  • Dat een consument geld overboekt naar zijn spaarrekening
  • Dat een consument zijn geld niet uitgeeft, maar apart houdt voor later
Wat houdt het begrip sparen in?

Sparen, lenen en ontsparen

Johan koopt een nieuwe auto en wil hiervoor zijn spaargeld gebruiken. Omdat hij niet genoeg spaargeld heeft, besluit hij gebruik te maken van het aanbod van de dealer om de helft van de koopprijs over twaalf maanden te betalen. Hierover hoeft hij geen rente te betalen.

Welke acties vinden in deze situatie plaats?

Johan  en 

Na bestudering van dit onderdeel kunt u de geldstromen en goederenstromen in een eenvoudige economische kringloop aangeven

Economisch kringloopmodel

De consument speelt een belangrijke rol binnen de economische kringloop. De economische kringloop is een schema waarin alle geldstromen in een economie worden weergegeven.

Economische sectoren

In het kringloopmodel worden diverse economische sectoren onderscheiden:

  • consumenten
    De consument is eindverbruiker van de goederen en diensten. Een consument heeft dus niet de bedoeling goederen of diensten te kopen en deze te verkopen of te verwerken voor de verkoop. Consumenten worden ook wel gezinnen genoemd.

 

 

  • overheid 
    De overheid zorgt onder andere voor regelgeving en toezicht. Daarnaast int en besteedt de overheid belastinggelden.

 

 

  • ondernemingen 
    De ondernemingen noemen we ook wel bedrijven of producenten. De bedrijven maken producten.
     

 

 

 

  • financiële instellingen 
    Deze instellingen zijn de schakel tussen sectoren die geld over hebben (sparen) en sectoren die geld tekort hebben (lenen). Consumenten die geld over hebben, storten het overtollige geld op een spaarrekening. Sectoren die geld tekort hebben, lenen geld van de financiële instellingen. Daarnaast zorgen financiële instellingen ook voor verzekeringsproducten.

 

Productiefactoren en inkomen gezinnen

De consumenten leveren de ondernemingen productiefactoren. De consumenten krijgen daar inkomen voor terug. Economen onderscheiden in hoofdlijnen drie soorten productiefactoren:

 

arbeid

 

  • Een persoon ontvangt loon of winst voor het verrichten van arbeid.
kapitaal 
 
Kapitaalgoederen zijn nodig voor bedrijven om te kunnen produceren. Voorbeelden van kapitaalgoederen zijn: machines en vrachtauto’s. Er is geld nodig om kapitaalgoederen aan te schaffen. De consumenten sluizen dit geld veelal via financiële instellingen door naar ondernemingen die hiervoor een vergoeding ontvangen: rente. Daarnaast zorgen consumenten ook voor geld door aandelen van een onderneming te kopen.
grond (natuur)
 
Bij de factor grond of natuur gaat het om de natuurlijke hulpbronnen. Dat kan het land zelf zijn, maar het kan ook gaan om mineralen, olie, gas en kolen. De vergoeding voor het verstrekken van grond is huur of pacht.

De kringloop

De consumenten die deze productiefactoren leveren, ontvangen hiervoor inkomen. Zij raken vaak een deel van hun inkomen kwijt, doordat zij belasting moeten betalen aan de overheid.

Van het geld dat overblijft, geven de consumenten het grootste deel uit aan het kopen van goederen (consumptiegoederen) en diensten. Consumenten die geld overhouden, gaan hiermee sparen of beleggen bij financieel dienstverleners. Ook kunnen zij zichzelf verzekeren van het geld dat ze overhouden.

Financieel dienstverleners lenen vervolgens het spaargeld van consumenten uit aan ondernemingen. De ondernemingen investeren met het geld dat zij lenen van financiële instellingen. Ze investeren in productiefactoren die consumenten leveren en waardoor consumenten inkomsten krijgen. En zo loopt de economische kringloop door.
 

Financiële producten en economische kringloop

Zonder financiële dienstverlening is het lastig het geld binnen de kringloop op de juiste plaats te krijgen. Financiële dienstverleners zorgen er dus voor dat het geld van de consumenten of ondernemingen terechtkomt bij andere ondernemingen of andere consumenten. Besparingen door sectoren met een geldoverschot sluizen financiële instellingen door naar sectoren met een geldtekort. De markt waarop dit doorsluizen plaatsvindt, is de zogeheten vermogensmarkt

Economische kringloop

  • Arbeid
  • Goederen
  • Grond

In een simpele economische kringloop leveren consumenten een vergoeding aan producenten.

Wat voor soort vergoeding?

Basisstromen binnen de economische kringloop

  • De werkgever betaalt de door hem bestelde goederen
  • De werknemer betaalt zijn werkgever voor geleverde goederen
  • De werknemer voert de order voor een bestelling in de computer
Jan koopt van zijn salaris een nieuwe televisie bij de elektronicawinkel waar hij werkt.

Welke basisstromen uit de economische kringloop vinden hier plaats?

Sectoren in de economische kringloop

  • Consumenten
  • FinanciĆ«le instellingen
  • Ondernemingen
  • Overheid
  • belastingen
  • investeringen

Hoe verloopt de kringloop?

  • De consumenten die de productiefactoren arbeid, kapitaal en grond leveren, ontvangen hiervoor
    inkomen
  • De consumenten raken vaak een deel van hun inkomen kwijt doordat zij ........... moeten betalen aan de overheid
    belasting
  • Van het geld dat overblijft, geven de consumenten het grootste deel uit aan het kopen van ........
    (consumptie)goederen en diensten
  • Consumenten die geld overhouden, gaan hiermee ......... bij financieel dienstverleners.
    sparen of beleggen
  • Financieel dienstverleners lenen ..... van consumenten uit.
    het spaargeld
  • Financieel dienstverleners lenen dat uit aan .....
    ondernemingen
  • De ondernemingen ..... met het geleende geld
    investeren
  • Ondernemingen investeren in ..... die consumenten leveren
    productiefactoren
  • Door de investering van ondernemingen krijgen consumenten .....
    inkomsten

Levensfasen van de klant

Inhoud zonder titel

De klant neemt de belangrijkste financiële beslissingen bij veranderingen in zijn leven.

Typische voorbeelden zijn:

  • gaan studeren;
  • het starten met een eerste baan;
  • een huis kopen;
  • kinderen krijgen;
  • ontslag;
  • echtscheiding; en
  • pensionering.

Deze veranderingen hebben te maken met de levensfase van een klant. Elke levensfase heeft een andere invloed op de financiële situatie van de klant.

Voor iedereen verlopen de levensfasen anders. Toch is er een algemene richtlijn aan te geven van fasen die iedereen doormaakt. In onderstaand schema staan de levensfasen en de invloed op de financiële positie van de klant.