Ondersteunde communicatie

Voor elk kind is het van belang dat het zich kan uiten, begrepen wordt en de ander in zijn omgeving kan begrijpen. Omdat bij veel kinderen met een ontwikkelingsstoornis of beperking dit niet altijd vanzelfsprekend gaat, benutten we verschillende mogelijkheden om de communicatie tot stand te brengen. In deze module leer je hoe je naast  gesproken taal gebruik maakt van andere communicatievormen en –middelen ter ondersteuning van de (ontwikkeling van) taal. Dit is van belang voor de totale ontwikkeling van het kind.

Wat is ondersteunde communicatie?

Wat moet je kennen en kunnen?

Elk blokje in deze cursus levert je wat bouwstenen op voor de proeve van bekwaamheid. Daarin laat je in een paar situaties zien dat je beschikt over de betreffende vaardigheden. Hieronder lees je om welke vaardigheden het gaat bij 'ondersteunde communicatie' en in welke situaties je dit dient te laten zien.

Gedurende het werken aan dit blokje verzamel je 3 ingrediënten voor je portfolio: (1) een plan ter voorbereiding van een tilsituatie, (2) lijst met tips uit een observatie van collega's en (3) feedback op jouw oefening met tillen in verschillende situaties.

Wat moet je kunnen?

  • Na het observeren van een kindje kun je voorbeelden benoemen van actieve/expressieve communicatie van het kindje (communicatie middel en communicatie niveau)
  • Na het observeren van een kindje kun je voorbeelden benoemen van passieve communicatie van het kindje (communicatie middel en communicatie niveau)
  • Je kan de signaalliedjes die in Rijndam Revalidatie centrum op de TPG worden gebruikt zingen en gebruiken in de juiste  situaties(communicatie middel en communicatie niveau)
  • Je kan een OC plan bij een kindje uitvoeren en toepassen in therapiesituatie.

In welke situaties?

  • Overgangsmomenten tijdens de dag
  • Tijdens alle contactmomenten met de kinderen
  • Tijdens therapiemomenten

Beoordelingscriteria

  • Je praat altijd met ondersteuning, afgestemd en aangepast aan het kind en je kan toelichten waarom je deze vorm van ondersteuning gebruikt.
  • Je kan een leeg schema t.b.v. het communicatieplan vullen met concrete, feitelijke, objectieve voorbeelden vanuit een context waarin deze zich voordeden.
  • Je kan beoordelen of een communicatieplan nog actueel is en doet indien nodig voorstellen om onderdelen toe te voegen.

Het belang van ondersteunde communicatie

Wat is ondersteunde communicatie?

Ondersteunde communicatie is geen methode maar een basishouding

Ondersteunde communicatie houdt in het bewust gebruik maken van alle mogelijke communicatievormen om contact te maken en contact te laten slagen en om het kind te laten groeien in zijn ontwikkeling

Ondersteunde communicatie is altijd afgestemd op het individuele kind

Een kind kan alleen actief communiceren als de juiste middelen passief herhaaldelijk worden aangeboden.

Het belang van ondersteunde communicatie

Voor elk kind is het van belang dat het zich kan uiten, dat het begrepen wordt en dat hij de ander kan begrijpen. Met ondersteunde communicatie begrijpt een kind soms beter wat er van hem of haar verwacht wordt of wat er gaat gebeuren. De rol en het belang van ondersteunde communicatie is dan ook:

  • Je geeft afgestemde informatie.
  • Je biedt veiligheid, overzichtelijkheid en structuur.
  • Je vergroot de zelfstandigheid, zelfredzaamheid en keuzegedrag. 
  • Je lokt interactie/conversatie uit.
  • Je bevordert sociale vaardigheden en contacten.

Gehandicapte kinderen filmen om te kunnen 'praten'

Tien kinderen van Mytylschool De Brug in Rotterdam-Overschie doen mee aan een project om ondanks hun beperkingen beter te communiceren. 

Meer lezen?

Totale communicatie / Esther Oskam en Wilma Scheres. Elsevier Gezondheidszorg, Maarssen, 2005.

Met name hoofdstuk 1  en 4 

Communicatieniveaus

Communicatieniveaus

Voordat je een keuze gaat maken voor communicatiemiddelen is het belangrijk dat je eerst het communicatieniveau van een kind kent. Het communicatieniveau van het kind breng je samen met elkaar in kaart met behulp van een communicatieschema. Het schema houdt rekening met alle individuele mogelijkheden en beperkingen. Wij onderscheiden zes niveaus van communicatie: op situatieniveau, op signaalniveau en op symboolniveau. 

Het kind dat communiceert op situatieniveau 1:

  • ervaart de wereld  lichaamsgebonden (m.n. ruiken, voelen, proeven)
  • kan alleen communiceren in de situatie waarin hij zich bevindt
  • is zich (nog) niet bewust dat hij communiceert
  • vraagt van de omgeving dat hij hem goed kent om inzicht te krijgen en te begrijpen in wat hij bedoelt en wat hij begrijpt van de situatie waarin hij deelneemt

Het kind dat communiceert op situatieniveau 2:

  • ervaart de wereld nog wel lichaamsgebonden, maar niet meer letterlijk (ook zien en horen speelt een rol)
  • beseft dat hij invloed kan uitoefenen op zijn omgeving (besef van 'actie-reactie'), bewust ervaren
  • gebruikt geen afgesproken communicatievormen ('codes')
  • kan mogelijk verschillende rituelen en/of situaties uit zijn dagelijkse leefwereld overzien in de betreffende situatie
  • vraagt van de omgeving dat hij herhaaldelijk en consequent bepaalde boodschappen aanbiedt in een bepaalde situatie zodat het kind inhoud kan leren geven aan deze begrippen
  • geeft meer aan dat hij iets verwacht vanuit zijn omgeving

Het kind dat communiceert op signaalniveau 1:

  • is in staat om relaties te leggen tussen een code(gebaar, foto) en een vaste bijbehorende situatie (begin associatief ordenen)
  • generaliseert niet naar andere situaties
  • functioneert nog regelmatig op situatieniveau bij bijv. ziekte of vermoeidheid
  • heeft objectpermanentie ontwikkeld
  • begrijpt opeenvolgende handelingen, liefst in vaste reeksen, binnen een overzichtelijk programma

Het kind dat communiceert op signaalniveau 2:

  • kan de communicatievorm koppelen aan een beperkt aantal, overzichtelijke en regelmatig terugkerende situaties (begrijpt idee van 'codes')
  • begint volgordebesef (is geen tijdsbesef) te ontwikkelen waardoor een begin ontstaat van structurerend ordenen

Het kind dat communiceert op symboolniveau 1:

  • kan met een afgesproken code communiceren over meerdere begrippen in zijn belevingswereld
  • kan variatie aan in de begrippen waarmee een bewuste ervaring is opgedaan
  • kan variatie aan met vertrouwde associatiereeksen
  • kan structurerend ordenen (heeft tijdsbesef)

Het kind dat communiceert op symboolniveau 2:

  • kan communiceren over nog niet eerder opgedane ervaringen
  • kan vormgevend ordenen

Oefening

Kies in overleg met een collega een kind uit en observeer dit tijdens een therapiesessie. Geef aan op welke niveaus jij het kind ziet communiceren. En let ook op:

  • zie je het kind plezier hebben?
  • zie je aandacht bij het kind?
  • zie je iets dat hij / zij niet wil doen?
  • zie je wat hij / zij wel wil doen?

Bespreek jouw inzichten met je collega.

Hoe communiceert het kind met zijn omgeving: actieve communicatie

Hoe communiceert het kind met zijn omgeving: voorbeelden van actieve communicatie

  • Gedrag: bijv. slaat iemand als die hem wil helpen
  • Geluiden: maakt een hoog hard geluid als ze iets niet wil
  • Gebruiksvoorwerpen: pakt beker als hij wat wil drinken
  • Opeenvolging van handelingen: wast uit zichzelf handen als bord en beker leeg zijn
  • Verkleind voorwerp: geeft met een plastic koekje  aan dat hij/zij koek wil eten
  • Foto: geeft de foto van een groepsleidster aan de juiste groepsleidster
  • Pictogram: wijst een pictogram aan van puzzelen als hij/zij wil puzzelen
  • Gebaar: maakt een gebaar van 'meer' als hij/zij nog meer wil drinken
  • Geluiden met functie: maakt geluid van een auto als hij/zij de chauffeur ziet
  • Gesproken taal

Wat begrijpt het kind van communicatie vanuit de omgeving: passieve communicatie

Wat begrijpt het kind van communicatie vanuit de omgeving: voorbeelden van passieve communicatie

  • Gedrag: gaat zitten als iemand boos reageert omdat hij opstaat
  • Geuren/proeven/voelen: gaat aan tafel zitten als iemand uit het zicht fruit snijdt
  • Gebruiksvoorwerpen: loopt naar de deur als je zijn/haar jas pakt
  • Opeenvolging van handelingen
  • Verkleind voorwerp: herkent een koekje in een boekje en maakt daar het gebaar van
  • Foto: loopt naar de verschoonruimte als ze een foto van een luier krijgt
  • Pictogram: pakt haar jas als ze een picto van de speeltuin ziet
  • Gebaar: loopt naar haar stoel als iemand gebaar van 'zitten' maakt
  • Geluiden met functie: loopt naar de gang als deurbel gaat
  • Gesproken taal

Communicatievormen

Communicatievormen

Per kind kun je kiezen uit de volgende vormen:

  • Lichaamstaal                                                         
  • Modelvoorwerpen                                             
  • Pictogrammen 
  • Signaalliedjes                           
  • Foto's                                                                          
  • Gebaren
  • Gebruiksvoorwerpen                                       
  • Afbeeldingen, symbolen                                 
  • Gesproken taal

Het communicatieschema

Het communicatieschema

Het communicatieschema maakt per individueel kind inzichtelijk met welke vormen hij communiceert over welke inhoud, dus over welke begrippen uit zijn wereld en op welk niveau. Als een kind nieuw binnenkomt op de TPG observeren wij hem of haar de eerste 3 maanden op basis van het communicatieschema. Wanneer het communicatieniveau bekend is wordt door de logopedist een communicatieplan gemaakt. 

Naast het communicatieschema dat binnen Rijndam gebruikt wordt,  bestaat o.a. de ervaringsordening van Timmers-Huigens: het functieschema waarin wordt aangegeven van welke functies het kind gebruik maakt in de communicatie. Denk bijvoorbeeld aan vragen om een voorwerp, aandacht of hulp, opmerkingen maken en emoties uitdrukken en het verduidelijken van het persoonsbeeld. Mocht het communicatieschema onvoldoende informatie opleveren, dan kan gebruik worden gemaakt van deze instrumenten. 

Daarnaast kunnen er ook video-opnames worden gemaakt, kan de ComVoor worden afgenomen en zijn er nog meerdere mogelijkheden.

Oefening

Kies in overleg met een collega een kind dat je gaat observeren aan de hand van het communicatieschema. Vul het lege schema zo concreet en objectief mogelijk met feiten, situaties. Bespreek jouw observaties en leg jouw schema naast het communicatieplan. Zijn er wellicht zaken die aangevuld kunnen worden?

Rituelen en basisgebaren

Dagstructuur

Waarom een vast dagritme

Sociaal-emotionele veiligheid is één van de belangrijkste voorwaarden voor een kind om zich te kunnen ontwikkelen. Zich veilig voelen betekent dat een kind niet bang is om zichzelf te laten zien en zijn omgeving te ontdekken (exploratie). Het kind durft initiatief te nemen en geeft zijn grenzen aan, voor zover dit al kan. Alle volwassenen rondom het kind dragen zorg voor een veilige omgeving, waarin een sfeer heerst waarbinnen de kinderen zich prettig voelen en nieuwe uitdagingen aan durven gaan. Er wordt hierbij goed gekeken en geluisterd naar de signalen van het kind, zodat daar op kan worden ingespeeld. Op de TPG wordt ook zorg gedragen voor de sociaal-emotionele veiligheid doordat het behandelteam van de therapeutische peutergroep in principe uit vaste medewerkers bestaat.

De kinderen komen op vaste dagdelen. Dit zorgt er voor dat het kind het behandelteam en de andere kinderen snel goed leert kennen. Elk dagdeel kent een dagstructuur met een herkenbaar begin en eind, waarbij we veel gebruik maken van liedjes. Deze rituelen vergroten de herkenbaarheid en voorspelbaarheid.

Op de therapeutische peutergroep hanteren wij een vast dagritme. Deze steeds terugkerende structuur biedt de kinderen houvast. In grote lijnen ziet een dagdeel er als volgt uit:

  • Activiteit
  • Binnenkomst, begroeten en korte overdracht
  • Openingsritueel m.b.v. liedjes
  • Groepstherapie
  • Tijd voor zowel oefenmomenten als vrij spel
  • Eet- en drinkmoment
  • Tijd voor zowel oefenmomenten als vrij spel
  • Afsluiting van de ochtend
  • Overdracht en naar huis

Elke overgang kent een eigen ritueel met signaalliedjes. 

Signaalliedjes

Het belang van liedjes zingen

Door het zingen van een liedje leren kinderen:  

  • Het produceren van klanken en uitingen
  • Het maken van gebaren
  • Vergroten van kennis van begrippen, bijvoorbeeld het benoemen van het lichaam
  • Fantasie te gebruiken
  • Luistervaardigheid en concentratievermogen ontwikkelen


Bovendien kunnen liedjes ook gebruikt worden als verwijzers. Zo kun je bijvoorbeeld bij kinderen dagelijkse activiteiten introduceren, bijvoorbeeld het liedje ‘melk-drinken’ in de klas of een slaapliedje voor het slapen gaan. Op deze manier bied je structuur aan de dagindeling en weten kinderen wat ze kunnen verwachten.

Liedjes zingen met gebaren

Bij het samen zingen van een liedje kan je kind veel vaardigheden leren en toepassen.

Tijdens het zingen van een liedje maak je oogcontact met je kind.

Je geeft je kind de mogelijkheid om je uitingen en handelingen, zoals gebaren, te imiteren

Het combineren van taal met bewegen zorgt ervoor dat ze het beter onthouden. Kinderen kunnen vaak al eerder de bewegingen nadoen voor ze het liedje kunnen zingen. 

Het kind kan dan dus ook zelf initiatief nemen door bijv. met een gebaar aan te geven welk liedje het wil zingen.

Gebaren tijdens het zingen kun je toepassen met verschillende doeleinden. Ze verduidelijken de woorden in een liedje en kunnen ervoor zorgen dat een niet-sprekend kind toch ‘mee kan zingen’.


Bij het zingen van een liedje zijn de volgende aandachtspunten belangrijk:

Laat je kind zelf een liedje kiezen, bijvoorbeeld uit het liedjesboek.

Ga tegenover het kind zitten op dezelfde ooghoogte, zodat je oogcontact uitlokt en het kind de gebaren en jouw mondbeeld goed kan zien.

Begin pas met het zingen als je oogcontact met je kind maakt.

Zing het liedje in een langzaam tempo.

Articuleer alle woorden overdreven.

Laat zoveel mogelijk gezichtsexpressie zien.

Voer de gebaren groot en duidelijk uit.

Maak alleen gebaren bij de belangrijkste woorden

Las pauzes in zodat je kind kan aanvullen

Bouw de spanning op aan het eind van het liedje, door nog langzamer te gaan zingen

Vraag je kind na afloop of jullie het liedje nog een keer gaan zingen.

Herhaal de liedjes zoveel mogelijk.

Ondersteunende gebaren

Waarom gebruiken wij gebaren binnen de TPG Rijndam?

Er zijn diverse redenen om gebaren te gebruiken in de communicatie met kinderen die zich niet of nauwelijks kunnen uitdrukken middels spraak. Allereerst geeft het deze kinderen een middel om zich te uiten. Voorwaarde is wel dat de kinderen de mogelijkheden moeten hebben om taal te ontwikkelen: om taal van anderen te begrijpen en om de intentie te hebben anderen iets duidelijk te willen maken.

Daarnaast kunnen gebaren een hulpmiddel vormen bij het begrijpen van taal doordat ze bepaalde begrippen visualiseren die hierdoor gemakkelijker worden geleerd en begrepen bijvoorbeeld bij tweetalige kinderen.

Het gebruik van gebaren kan een positieve invloed hebben op het gaan spreken van een kind. De druk van het moeten praten wordt verminderd en het maken van gebaren lijkt de spraakontwikkeling soms een beetje op gang te helpen.

 Een ander effect van het maken van gebaren is dat we vaak langzamer gaanspreken en in meer eenvoudige zinnen. Hierdoor krijgt een kind meer tijd en mogelijkheden om de aangeboden taal te begrijpen en wordt het beter gestimuleerd zelf ook gebaren te gaan maken.

Een voordeel van gebaren boven foto’s of plaatjes is dat je er geen foto- of plaatjesmappen voor nodig hebt die een kind altijd bij zich moet hebben. Het kind dat zelf gebaren gaat gebruiken moet echter motorisch wel in staat zijn de gebaren te maken.

Het maken van gebaren

Gebaren worden gemaakt in de ruimte bij en voor het lichaam: de gebarenruimte. 

De handvorm geeft bijvoorbeeld aan of een hand open of dicht is en welke vingers er gebruikt worden. 

Verder is de richting waarin de handpalm en de vingers wijzen ook van belang: bijvoorbeeld naar voren of juist naar het lichaam toe. Dat geldt ook voor de beweging van de handen en vingers: bijvoorbeeld beweging van links naar rechts, cirkelbewegingen, bepaalde bewegingen gemaakt door pols, arm of vingers. 

Als laatste speelt het non-manuele deel een rol bij veel gebaren: dat is dat deel van het gebaar dat niet door de handen wordt uitgevoerd. Dit kan bijvoorbeeld bestaan uit mimiek, lichaamshoudingen of uit bepaalde mondbewegingen.